Bestemmingsplan Rhenoy 2000
__________________________________________________________________________
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Huis der Provincie Postbus 9090
Markt 11 6800 GX Arnhem
Arnhem
telefoon (026) 359 9111
telefax (026) 359 94 80
e-mail post@gelderland.nl
internet www.gelderland.nl
Mr. F. van der Brug
namens P. van Steijn-van lperen
Postbus 85050
3508 AB UTRECHT
datum nummer
26 september 2000 RE 2000.25604
onderwerp
Bestemmingsplan Rhenoy 2000 van de gemeente Geldermalsen
Geachte heer Van der Burg,
Bijgaand treft u een fotokopie aan van ons besluit inzake bovenvermeld bestemmingsplan, waartegen u bij ons bedenkingen hebt ingediend. Kortheidshalve verwijzen wij u naar ons besluit. Daarin kunt u lezen wat wij omtrent uw bedenkingen hebben overwogen en besloten.
Indien u het niet (geheel) met ons besluit eens bent, kunt u daartegen beroep instellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In de Wet op de Ruimtelijke Ordening is voor die beroepsmogelijkheid de volgende procedure aangegeven. Ons besluit wordt met het bestemmingsplan ter gemeentesecretarie voor eenieder ter inzage gelegd voor de duur van zes weken.
De terinzagelegging wordt van tevoren bekendgemaakt in de Nederlandse Staatscourant, in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze.
Als u gebruik wilt maken van uw recht om beroep in te stellen, moet u dat doen binnen zes weken na de dag waarop ons besluit op de voorgeschreven wijze is gepubliceerd.
Voordat het beroepschrift in behandeling wordt genomen, moet f 225,-- (voor een natuurlijk persoon) dan wel f 450,-- (voor een rechtspersoon) worden gestort ter secretarie van de Raad van State, bij voorkeur op Postbank-girorekening 507590, ten name van de Raad van State te 's-Gravenhage. Indien twee of meer personen of rechtspersonen gezamenlijk een beroepschrift indienen, behoeft slechts eenmaal f 225,-- respectievelijk f 450,-- te worden betaald. U krijgt dit bedrag terug indien de Afdeling bestuursrechtspraak dat te zijner tijd in haar uitspraak bepaalt.
U wordt verzocht met betaling te wachten, totdat u van de Raad van State een betalingsverzoek krijgt.
Het beroepschrift moet worden gericht en verzonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
inlichtingen bij dhr. P.G.A.L. Evers doorkiesnr. 359 98 02
verzonden 2 OKT. 2000
Postbank girorekening 869762
ABN.AMRO Arnhem, rek. nr. 53.50.26.463
BNG 's-Gravenhage, rek. nr. 28.50.10.824
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Voorts vestigen wij er uw aandacht op, dat ons besluit ingevolge artikel 28, lid 6, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in werking treedt daags na afloop van de beroepstermijn, tenzij binnen die termijn in samenhang met een ingesteld beroep een afzonderlijk verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Voor het in behandeling nemen van een verzoek om een voorlopige voorziening moet eveneens een recht van f 225,-- respectievelijk f 450,-- worden gestort op de hiervoor vermelde Postbankgirorekening van de secretarie van de Raad van State.
U wordt verzocht met betaling te wachten, totdat u van de Raad van State een betalingsverzoek krijgt.
Zowel over het (te verwachten) tijdstip van publicatie van ons besluit als over de manier waarop dat gebeurt (bijvoorbeeld de naam van het dag- en/of nieuwsblad) kunt u contact opnemen met het gemeentebestuur.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Commissaris griffier
Van de Koningin
Bijlagen
coll. afd
code: EP/3855
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------
___________________________________________________________________________
De Raad van de gemeente
GELDERMALSEN
Arnhem, 26 september 2000 - nr. RE2000.25604
Bestemmingsplan Rhenoy 2000
Brief: ongedateerd
van burgemeester en wethouders
Besluit van GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND met betrekking tot de goedkeuring van bovenvermeld bestemmingsplan.
PLANBESCHRIJVING
Het plan voorziet in een integrale herziening van het uit 1978 daterende bestemmingsplan, dat daarna op incidentele punten partieel is herzien en waarvan met name de samenhang en juridische regeling dringend aan aanpassing toe is.
PLANPROCEDURE
Het bestemmingsplan is vastgesteld bij besluit van 22 februari 2000 van de Raad van de gemeente Geldermalsen.
Het plan heeft na de vaststelling gedurende vier weken ter inzage gelegen met ingang van 17 maart
2000.
BEDENKINGEN
Er zijn tijdens de terinzageligging van het vastgestelde plan bij ons college bedenkingen ingebracht door:
1 Drs. L. van Driel en C.C. Barentsen, Dorpsstraat 2B, 41 52 EP Rhenoy
2 Mr. F van der Brug, namens P. van Steijn-van Iperen, Postbus 85050, 3508 AB Utrecht
Degenen die bedenkingen hebben ingebracht, zijn in de gelegenheid gesteld de bedenkingen nader toe te lichten.
Wij hebben kennisgenomen van het verhandelde tijdens de daartoe namens ons college gehouden zitting.
SAMENVATTING EN BEOORDELING VAN DE BEDENKINGEN
1 Drs. L. van Driel en C.C. Barentsen, Dorpsstraat 2B, 4152 EP Rhenoy
verzonden - 2 OKT. 2000
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
SAMENVATTING
Reclamanten geven aan dat zij een inspraakreactie naar het gemeentebestuur hebben gezonden en daarop ook antwoord hebben gekregen. Zij konden zich daarmee niet volledig verenigen, maar hebben vanwege de onduidelijkheid, de vakantieperiode en door drukke werkzaamheden de termijn laten verlopen om zienswijzen bij de gemeenteraad tegen dit plan in te brengen. Hun bedenkingen richten zich voornamelijk tegen de ontwikkelingsmogelijkheden die het bedrijf Story in het onderhavige plan heeft gekregen.
BEOORDELING
Ten aanzien van de ontvankelijkheid merken wij het volgende op.
Op grond van het bepaalde in artikel 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan degene die tijdig zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar heeft gemaakt, alsmede een belanghebbende die aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest zijn zienswijze bij de gemeenteraad kenbaar te maken, gedurende de in artikel 26 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genoemde termijn van terinzageligging bij ons college schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.
Voorzover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, kan eenieder gedurende de in artikel 26 van meervermelde wet bedoelde termijn bij ons college schriftelijk bedenkingen inbrengen tegen het bestemmingsplan.
Reclamanten hebben geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan bij de Gemeenteraad
van Geldermalsen ingebracht. Het onderhavige bestemmingsplan is door de Gemeenteraad van Geldermalsen op 22 februari 2000 gewijzigd vastgesteld en met ingang van 17 maart 2000 gedurende vier weken voor eenieder ter inzage gelegd.
Tijdens de in het kader van deze procedure gehouden hoorzitting is reclamanten verzocht aan te geven waarom zij hebben verzuimd tijdig een zienswijze bij de Gemeenteraad van Geldermalsen kenbaar te maken, en of er wellicht sprake is van verschoonbare redenen voor dit verzuim. Zowel in hun bedenking als tijdens de in het kader van deze procedure gehouden hoorzitting hebben reclamanten aangegeven dat zij hebben verzuimd tijdig bij de gemeenteraad zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Een en ander was, aldus reclamanten, het gevolg van onduidelijkheid, de vakantieperiode en werkzaamheden die alle aandacht van hen opeisten.
Die bedenkingen van reclamanten richten zich niet tegen de door de Gemeenteraad van
Geldermalsen bij de vaststelling van het bestemmingsplan aangebrachte wijzigingen.
In de door reclamanten aangedragen omstandigheden, te weten onduidelijkheid, de vakantieperiode en drukke werkzaamheden, zie wij onvoldoende aanleiding om reclamanten thans in hun bedenkingen te ontvangen.
Het vorenstaande impliceert dan ook dat reclamanten door ons college niet in hun bedenkingen kunnen worden ontvangen.
2 Mr. F van der Brug, namens P. van Steijn-van lperen, Postbus 85050, 3508 AB Utrecht
SAMENVATTING
Reclamant kan zich niet verenigen met de beperking die in artikel 6.3.2.1, ten aanzien van de omvang en vergroting van bestaande bebouwing ter grootte van 110% is vastgelegd. Reclamant verzoekt de uitbreidingsmogelijkheid te koppelen aan een percentage van het bebouwingsvlak, zonder vrijstellingstoets gerelateerd aan de bestaande bebouwing.
Ten aanzien van de aanduiding "afschermend groen" ter plaatse van de bestemming bedrijfsdoeleinden, is reclamant van oordeel dat dit door middel van een formele bestemming dient te worden vastgelegd.
Tot slot is reclamant van oordeel dat de bebouwingshoogte van de gebouwen binnen deze
bestemming beperkt dient te blijven tot 4 meter goothoogte en 5,5 meter nokhoogte. Met de voorgenomen regelgeving kan het betreffende bedrijf zich versterken, terwijl als vaststaand moet worden aangenomen dat dit bedrijf qua aard en omvang niet past in een woonomgeving. Verwacht kan worden dat het bedrijf zal uitbreiden, waardoor er geen zicht bestaat op de milieuregelgeving na eventuele nieuwbouw c.q. uitbreiding.
BEOORDELING
Zoals reeds in het raadsbesluit is aangegeven is de beperking tot het vergroten van bouwwerken tot maximaal 110% niet van toepassing op de op plankaart 2 aangegeven hoofdgebouwen, maar slechts van toepassing op de NIET op plankaart 2 aangegeven bestaande bebouwing. Een eventuele vergroting van de woning van cliënte dient binnen het in artikel 6.3.2.3 aangegeven percentage van 30% te blijven. Naar het zich laat aanzien is in dit geval daarmee een redelijke vergroting van het hoofdgebouw bij recht toegestaan.
Ten aanzien van de wens de aanduiding afschermend groen door middel van een formele bestemming vast te leggen merken wij het volgende op. Wij nemen aan dat het de bedoeling is van reclamant dat deze groenvoorziening ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Door middel van een bestemmingsregeling als aanduiding dan wel als een formele bestemming kan slechts voorkomen worden dat de betreffende grond voor andere doeleinden wordt aangewend dan voor datgene dat in het plan is vastgelegd. Een daadwerkelijke realisering van de groensingel kan met beide regelingen niet worden afgedwongen. In het onderhavige geval wordt echter aan de wens van reclamant tegemoet gekomen, aangezien het gemeentebestuur inmiddels met de firma Story een overeenkomst heeft gesloten, waarin is vastgelegd dat het bedrijf zich verplicht deze groenvoorziening aan te leggen.
Het gemeentebestuur heeft in de reactie omtrent de toegestane hoogte van een eventueel nieuw op te richten bouwwerk aangegeven dat dit noodzakelijk is om de huidige buitenactiviteiten in de toekomst binnen te laten plaatsvinden. De nokhoogte van het gebouw dat daarvoor noodzakelijk is bedraagt 7,5 meter, een gelijke hoogte met het bedrijfsbouwwerk dat aan de Dorpsstraat is gesitueerd. De goothoogte daarvan bedraagt 6,5 meter, terwijl de eventuele nieuwe bedrijfsloods een maximale goothoogte van 6 meter kan verkrijgen. Er kan derhalve niet gesproken worden van afwijkende maatvoering voor nieuwe bedrijfsgebouwen op het terrein van de firma Story. Nu het bedrijf heeft aangegeven deze hoogte minimaal nodig te hebben voor het uitvoeren van werkzaamheden - welke overigens ook nu reeds grotendeels in de open lucht plaatsvinden - kan ons college zich vinden in het standpunt van de gemeenteraad om een dergelijke bouwhoogte toe te staan. Indien het bedrijf wijzigingen aanbrengt in de bebouwing en werkwijze, zal dit een aanpassing van de geldende milieuvergunning tot gevolg hebben. In de voorwaarde verbonden aan deze vergunning zullen de plaatselijk omstandigheden ten aanzien van de omringende woonbebouwing maatgevend zijn voor mogelijkheden die het bedrijf heeft ter plaatse te functioneren.
Dat deze bestaande situering beperkingen in de bedrijfsvoering zal geven is ook nu van toepassing en wordt geaccepteerd. Een verplaatsing van dit bedrijf is vooralsnog niet aan de orde, men voldoet aan de voorwaarden gesteld in de milieuvergunning en er is geen aanleiding te veronderstellen dat dit door de regeling in het onderhavige bestemmingsplan zal wijzigen.
De bedenkingen geven geen aanleiding aan enig deel van het bestemmingsplan goedkeuring te onthouden.
PLANBEOORDELING
Het bestemmingsplan geeft wat betreft de plankaart, de voorschriften, de uitvoerbaarheid, noch anderszins aanleiding daaraan goedkeuring te onthouden.
ADVISERING
Wij hebben overeenkomstig het bepaalde in artikel 28, lid 2, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, de Provinciale Planologische Commissie gehoord.
BESLISSING
Wij hebben, gelet op artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en het vorenstaande in aanmerking nemende besloten vorenbedoeld bestemmingsplan goed te keuren.
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Commissaris griffier
van de Koningin
bijlagen
coll. afd./ms
code: EP/3811
4
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
kopie:
- Provinciale Planologische Commissie
- Inspecteur van de Ruimtelijke Ordening in de provincies Overijssel en Gelderland, Postbus 9013, 6800 DR Arnhem
- Inspecteur van de Volkshuisvesting in de provincie Gelderland, Postbus 9013, 6800 DR Arnhem
- Drs. L. van Driel en C.C. Barentsen, Dorpsstraat 2B, 4152 EP Rhenoy
- Mr. F van der Brug, namens P. van Steijn-van Iperen, Postbus 85050, 3508 AB Utrecht
- REW/SG/GF, de heer K. Ploeger
- REW/RO/GP, SZ-medewerker
- MW/GEO/RV, de heer B. van Moerkerk
- REW/LG, de heer M. Hergarden
- REW/SG/SO, de heer J. Henst
- REW/RO/GP, de heer P.G.A.L. Evers
5
_______________________________________________________________________________________
VAN DER BRUG CS - ADVOCATEN
AANTEKENEN
Afdeling Bestuursrechtspraak
van de Raad van State
postbus 20019
2500 EA Den Haag
inzake Van Steijn-van Iperen / Gedeputeerde Staten van
Gelderland - beroep goedkeuring bestemmingsplan
ons kenmerk 19990168F
Utrecht, 6 november 2000
BEROEPSCHRIFT van P. van Steijn-van lperen, wonende te Rhenoy, voor deze zaak woonplaats kiezend te Utrecht aan de Rembrandtkade 36 (Postbus 85050, 3508 AB) op het kantoor van de advocaat en procureur mr. F. van der Brug, die voor haar in deze procedure als gemachtigde optreedt.
VERWEERDERS zijn Gedeputeerde Staten van Gelderland , postbus 9090, 6800 GX te Arnhem.
Appellante komt in beroep tegen de beslissing van verweerders d.d. 26-9-2000. Een kopie van deze beslissing is aangehecht aan dit beroepschrift. Deze beslissing is verzonden op 3-10-2000. Appellante kan zich met deze beslissing en de gronden waarop deze berust niet verenigen.
GRONDEN VAN HET BEROEP
bebouwingswijze
1 . Appellante heeft zienswijzen en bedenkingen naar voren gebracht met betrekking tot de beperking van de
uitbreidingsmogelijkheden van haar woning (als hoofdgebouw). Deze is gekoppeld aan de vrijstellingsbevoegdheid
indien sprake is van meer dan 10% van de bestaande bebouwing, en tot maximaal 30% van het bouwvlak.
Deze uitbreidingsmogelijkheid staat niet in verhouding tot het op de plankaart vermelde
toegestane bebouwingsvlak. Anders gezegd, appellante leest de voorschriften zodanig dat
indien zij nieuwbouw zou plegen zou zij een veel groter huis als hoofdgebouw zou kunnen
realiseren dan thans mogelijk is.
In dit opzicht acht zij de huidige voorschriften een onredelijke beperking inhouden, te meer ook
omdat uitbreiding verbonden wordt aan toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid, louter en
alleen omdat er al een bestaand gebouw is.
Een redelijke grond de uitbreidingsmogelijkheid van de bestaande bebouwing (hoofdgebouw)
met meer dan 10% te koppelen aan een vrijstellingsbevoegdheid ontbreekt derhalve.
Appellante wenst haar woning (in potentie) te kunnen uitbreiden op eenzelfde wijze als zij
anders nieuwbouw ter plaatse zou kunnen realiseren.
2. bedrijfsdoeleinden
Appellante is van oordeel dat de bebouwingshoogte van de beoogde gebouwen beperkt dienen
te blijven tot maximaal 4.0/5.5 meter met het oog op aanzicht, en beperking van licht, alsmede
op de beschaduwing van haar perceel als gevolg van (hoge) bebouwing.
Uit een bouwstudie naar nieuwbouw blijkt dat bij de beoogde hoogte van het op te richten
gebouw een behoorlijke (voor- en najaar) tot forse (in de winterperiode - meer dan 20 meter)
schaduwwerking op het perceel van appellante ontstaat.
De voorgenomen regelgeving met betrekking tot het betreffende perceel impliceert dat dit
bedrijf zijn positie ter plaatse kan versterken. Appellante is van oordeel dat een dergelijk bedrijf
qua aard en omvang uit planologisch oogpunt niet passend is in een woonomgeving, en nabij
woningen.
Daarbij komt dat het bedrijf zich in oorsprong illegaal (was agrarische bestemming) heeft
gevestigd, naast de toen reeds bestaande woning van appellante.
Het gegeven dat een en ander nadien in het (oude) bestemmingsplan is opgenomen impliceert
niet dat daardoor het bedrijf thans nog uitbreidingsmogelijkheden dient te verkrijgen als gevolg
waarvan een op grond van planologische en milieubelangen wel wenselijk, zo niet noodzakelijk
te achten verplaatsing steeds onwaarschijnlijker wordt.
Indien de bestemmingsplanvoorschriften in casu is een strikt conserverende werking zouden
beogen is het veel eerder te verwachten dat ook het bedrijf zelf tot het inzicht komt dat het
beter is om te zien naar een beter passende bedrijfslocatie dan midden in een dorps- en
woonbebouwing.
De mogelijkheid van uitbreiding van de bebouwing zal bovendien gepaard kunnen gaan met
uitbreiding van activiteiten in dat gebouw op een locatie waar thans strenge milieuvoorschriften
gelden (in het bijzonder betreffende lawaai en stank).
In dit opzicht is de weerlegging dat de hinder zal afnemen niet rationeel maar slechts een
veronderstelling, zolang geen enkel inzicht bestaat in de bedrijfsvoering, voorzover deze uit
oogpunt van milieuzorg en vergunning relevant is, na de eventueel te realiseren nieuwbouw c.q.
uitbreiding.
Op bovenomschreven gronden, zonodig in de loop van deze procedure nog nader te aan vullen en toe te lichten, vraagt appellante aan de Afdeling Bestuursrechtspraak
a. het beroep gegrond te verklaren;
b. de thans bestreden beslissing te vernietigen voorzover deze betrekking heeft op de hierboven
genoemde onderdelen van het bestemmingsplan waarop de gronden van dit beroep zien, en te
bepalen dat verweerders met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing dienen te
nemen,
dan wel dienovereenkomstig zelf in de zaak te voorzien;
c. verweerders in de kosten ex artt. 8:74 en 8:75 AWB te veroordelen.
Gemachtigde
bijl.
1 . bestreden beslissing
NB. de griffierecht kan ten laste van de rekening-courant worden gebracht.
INGEDIEND IN TWEEVOUD
19990168F/001 106.fb1