Provincie Gelderland 
Documenten (brieven, deelverslagen, planning, krantenknipsels, geïllustreerd voorlichtingsmateriaal, vergunningen, wetgeving etc.) welke essentieel zijn m.b.t. het hebben van zittingschap van familie Story (autosloper in het Gelderse dorp Rhenoy) in Gelderse provinciale milieucommissies.

Inhoudsopgave van de titels van de documenten (klikbare pagina links):

Autowrakkenplan (planologische bestemming; projectgroep autowrakken; locatie autosloperijen Provincie Gelderland

Complete voorlichtingsbrochure AUTOWRAKKENPLAN  Provincie Gelderland 1990 – 1995

Brief: reactie op voorstel autowrakkenplan 1999 – 1995 Provincie Gelderland

Bezwaarschrift tegen voorstel autowrakkenplan d.d. 5 juni 1989

Autowrakkenplan 1990 – 1995 / Arnhem, januari 1989 / Dienst Voorlichting en Inspraak Provincie
       Gelderland Samenvattend Verslag van de Mondelinge en Schriftelijke inspraakreacties op het
       Voorontwerp

Verslag van de op 22 mei 1989 in het gebouw Rijnstate, Markt 9 te Arnhem gehouden openbare zitting

Voorstel voor de vergadering op 20 december 1989: Voorstel E - 228 C. Stigter Commentaar op
       bezwaren tegen het Ontwerp autowrakkenplan 1990 - 1995

Autowrakkenplan 1990 – 1995: commentaar op inspraakreacties (rood kaft)

Plaatselijk dagblad DE GECOMBINEERDE vrijdag 3 maart 1989

NRC HANDELSBLAD BINNENLAND vrijdag 3 maart 1989 (krantenartikel)

Brieven van Vereniging Milieudefensie gericht aan provincie Gelderland en de minister van VROM
_____________________________________________________________________________________

1. Autowrakkenplan provincie Gelderland (voor de periode 1990 – 1995): 
dd. 20 december 1989

inleiding:
blz. 2 Ad b m.b.t. de planologische bestemming (woonomgeving, pletten, luchtverontreiniging)

( Citaat provincie Gelderland:
Ad b
De wijze waarop wrakken worden bewaard, bewerkt of verwerkt voldoet veelal niet aan de in het belang van de bescherming van het milieu te stellen eisen.
Die problemen, die zich op dit punt voordoen zijn deels het gevolg van vestiging op planologisch minder geschikte plaatsen. Op dergelijke plaatsen is een inrichting in milieuhygiënisch of landschappelijk opzicht niet aanvaardbaar. Ook kan een autosloopterrein dat is gelegen in of nabij een woonwijk met name als daarop ook wrakken worden geplet, door een ongunstige ligging voor overlast zorgen (geluidhinder).
Het merendeel van de bedrijven beschikt niet over de vereiste vergunning (vroeger hinderwetvergunning, thans afvalstoffenwetvergunning).
Eind citaat )
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
inleiding: blz. 3 Ad b m.b.t. de wettelijke verplichting tot het samenstellen van een autowrakkenplan en het instellen in het kader hiervan van de overheidscommissie(projectgroep autowrakken)

( Citaat provincie Gelderland:
Ad b
Om de hiervoor beschreven problematiek aan te pakken heeft de wetgever via de Afvalstoffenwet, waarvan het doel is in het belang van de bescherming van het milieu de belasting daarvan door afvalstoffen verder te beperken, het provinciaal bestuur opgedragen via het vaststellen van een autowrakkenplan een beleid voor de verwijdering van autowrakken te ontwikkelen. Tevens heeft de wetgever dat bestuur de instrumenten gegeven om dat beleid samen met andere betrokken overheden tot uitvoering te brengen.
Ter voorbereiding van het plan hebben Gedeputeerde Staten een projectgroep autowrakken ingesteld. Daarin zijn naast diverse provinciale diensten vertegenwoordigd de regionale inspectie van de Volksgezondheid voor de milieuhygiëne, de Provinciale Woonwagencommissie, de Stichting Belangenbehartiging autowrakken-branche en de Vereniging voor de Schrootvoorziening.
De projectgroep brengt adviezen uit aan Gedeputeerde Staten met betrekking tot het Autowrakkenplan.
Op voorstel van de projectgroep en na advies van de Statencommissie Milieubeheer over dat voorstel hebben Gedeputeerde Staten begin 1988 beleidsuitgangspunten voor het plan vastgesteld. Op basis daarvan heeft de projectgroep een voorontwerpplan opgesteld en dat via die Dienst Milieu en Water ter vaststelling aan Gedeputeerde Staten aangeboden.
In het najaar van 1988 is de mogelijkheid geboden tot overleg en inspraak over het
voorontwerpplan. In februari 1989 hebben Gedeputeerde Staten een ontwerpplan vastgesteld.
Eind citaat )
------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
inleiding: 4.3 bescherming van het milieu: blz.19 & blz. 20
(de locatie van een autowrakkenterrein):

( Citaat provincie Gelderland:
4.3 Bescherming van het milieu

4.3.1 Algemeen
Zeker nu het aspect doelmatigheid minder aandacht krijgt, zal de nadruk in het beleid met name liggen op een milieuhygiënisch aanvaardbare verwijdering van autowrakken.
In dat kader zijn van belang
1. de inrichting van een terrein (dat wil zeggen de daar ter bescherming van het milieu
    getroffen voorzieningen);
2. het hergebruik van onderdelen en componenten van wrakken; het verwijderen van reststoffen;
3. de locatie van een autowrakkenterrein.
Aan deze onderwerpen en aan het saneren van inrichtingen zal in de hierna volgende
paragrafen aandacht worden besteed.
4.3.2 Inrichting van terreinen (milieubeschermende voorzieningen)
Op een terrein waarop autowrakken worden bewerkt of verwerkt zullen alle ter bescherming
van het milieu noodzakelijke voorzieningen moeten worden getroffen.
Dit zal betekenen dat:
a. een terrein zo goed mogelijk visueel moet worden ingepast in de omgeving;
b. in beginsel wrakken of onderdelen daarvan niet zichtbaar mogen zijn vanaf een voor het
    publiek toegankelijke plaats;
c. verontreiniging van bodem, grondwater, oppervlaktewater en lucht moet worden voorkomen;
d. ook geen geluidoverlast en andere hinder voor de omgeving veroorzaakt mogen worden.

In hoofdstuk 5 van de richtlijn is een overzicht gegeven van de noodzakelijke milieubeschermende voorzieningen. Tevens heeft het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer na overleg met onder andere de provincies modelvoorschriften opgesteld voor vergunningen voor terreinen voor het bewaren en bewerken van wrakken.
-.Voor wat betreft de te treffen milieubeschermende voorzieningen zullen bij de vergunningverlening     
   voormelde richtlijn en modelvoorschriften als uitgangspunt worden gehanteerd.
-.De in elke inrichting afzonderlijk te treffen voorzieningen zullen worden afgestemd op de in de inrichting te verrichten werkzaamheden enerzijds en gebezigde werkwijzen anderzijds.
Daarnaast zullen zij afhankelijk zijn van de locatie van de inrichting.
Eind citaat )
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

inleiding: 4.3.4 - locatie autowrakkenterreinen: blz. 21 (streekplan m.b.t. woongebieden):

( Citaat provincie Gelderland:
4.3.4 Locatie autowrakkenterreinen
4.3.4.1 Algemeen
Bij de locatie van autowrakkenterreinen spelen naast de milieuhygiënische criteria ook de ruimtelijke criteria een belangrijke rol. In de volgende paragrafen zal aandacht worden besteed aan de afstemming met het planologisch beleid. Daarbij zal het uit een oogpunt van bescherming van het milieu te voeren beleid worden aangegeven.

4.3.4.2 Afstemming met de ruimtelijke ordening
4.3.4.2.1 Inleiding
Voor de ruimtelijke inpasbaarheid van autowrakkenterreinen dient het streekplan als uitgangspunt.
Doordat het planologisch kader wordt gevormd door het streekplan vindt ook de vereiste afstemming
tussen het autowrakkenbeleid en het ruimtelijke beleid plaats.

4.3.4.2.2 Relatie met de Wet op de
Ruimtelijke Ordening
Ingevolge de Wet op de Ruimtelijke Ordening ligt het zwaartepunt van het ruimtelijke beleid bij provincies en gemeenten. Het Rijk richt zich vooral op het formuleren van nationaal ruimtelijk beleid op langere termijn via nota's en structuurschema's. Op gemeentelijk niveau zijn er het structuurplan en het bestemmingsplan.
Op provinciaal niveau is het streekplan het belangrijkste instrument voor het ruimtelijk beleid.
In zo'n plan wordt voor (een deel van) de provincie de gewenste ontwikkeling in hoofdlijnen
aangegeven.
Het streekplan is de basis voor het goedkeuren van bestemmingsplannen en zo nodig voor het geven van aanwijzingen aan gemeenten.
Voor Gedeputeerde Staten wordt via het streekplan de mogelijkheid geschapen goedkeuring te verlenen aan bestemmingsplannen, die in het belang van de verwijdering van autowrakken zijn vastgesteld, of een verklaring van geen bezwaar af te geven bij anticipatie op een dergelijk in voorbereiding of in procedure zijnd bestemmingsplan.
Ook biedt het plan Gedeputeerde Staten de mogelijkheid, gehoord de Provinciale Planologische Commissie, een gemeente te verplichten tot vaststellen of herzien van een bestemmingsplan en daarbij - voor zover bovengemeentelijke belangen (i.c. de autowrakkenverwijdering) dat vorderen – aanwijzingen te geven over de inhoud daarvan. Ingevolge de onlangs herziene Wet op de Ruimtelijke Ordening kunnen dergelijke aanwijzingen ook worden gegeven op basis van bij besluit van Provinciale Staten, voornoemde commissie gehoord, vastgesteld ruimtelijk beleid (bijvoorbeeld in een autowrakkenplan).

4.3.4.2.3 Relatie met het streekplanbeleid
In het streekplan is een aantal uitgangspunten gehanteerd bij de keuze van locaties voor
het bewaren, bewerken en verwerken van autowrakken, te weten:
- situering dient niet plaats te vinden binnen de 25-jaars-beschermingszone van
drinkwaterwinningen, in woongebieden, in de uiterwaarden en in
natuurwetenschappelijk, landschappelijk en landbouwkundig waardevolle gebieden;
opslag- en sloopbedrijven dienen te voldoen aan de in dit kader geldende wetgeving;
Voor bestaande inrichtingen in alle, voormelde gebieden zal derhalve in beginsel evenals
voor de vestiging van nieuwe inrichtingen in die gebieden een afvalstoffenwetvergunning
(wegens strijd met het belang van de bescherming van het milieu) worden geweigerd.
Eind citaat )

Naar boven
_____________________________________________________________________________________

inleiding: Complete voorlichtingsbrochure AUTOWRAKKENPLAN Provincie 
                   Gelderland 1990 – 1995:

Autowrakkenplan Provincie Gelderland 1990 – 1995


Wrakken
Iedereen kent wel terreinen langs de weg waar ze hoog opgestapeld liggen weg te roesten. Soms gedeeltelijk verborgen achter schuttingen; dan weer open en bloot in het landschap.
Opslagterreinen, inleverterreinen, sloopterreinen: wrakken kun je op veel plaatsen kwijt, dat wel. Maar lang niet overal wordt er opgeslagen en gesloopt zoals het eigenlijk zou moeten. Het milieu heeft er vaak zwaar onder te leiden.
In het (voorontwerp) Autowrakkenplan geven Gedeputeerde Staten van Gelderland aan hoe deze situatie moet veranderen. Vanaf 1990 worden er verschillende maatregelen genomen.
Heel concreet: aan welke eisen voor de bescherming van het milieu moeten met name sloopbedrijven voldoen en welke bedrijven moeten worden verplaatst of opgeheven. Het belang van de bescherming van het milieu staat namelijk voorop. In deze brochure worden de belangrijkste zaken uit het Autowrakkenplan beschreven.
Bovendien vindt u hierin de informatie over de inspraakmogelijkheden en de verdere gang van zaken.

autosloperij Rhenoy bv
   Foto: Provincie Gelderland








Het Autowrakkenplan komt niet zomaar uit de lucht vallen. De Afvalstoffenwet (1977) en de Richtlijnen die de minister van Volksgezondheid en Milieuhygiëne in 1981 heeft vastgesteld, bepalen voor een flink deel hoe het plan eruit moet zien. Hoofdthema is de bescherming van ons milieu.
De vergunningvergunning en de eisen die aan een vergunning worden gekoppeld, nemen dan ook
een belangrijke plaats in.
Op de sloopbedrijven wordt nogal verschillend gewerkt. Een deel van de slopers haalt zo snel mogelijk de bruikbare onderdelen eruit en stuurt het overgebleven karkas naar een verwerkingsbedrijf (bijvoorbeeld een schrootverwerkingsbedrijf). Het merendeel van de bedrijven wacht hiermee totdat er zich een koper meldt voor onderdelen. Dat betekent dat wrakken een tijdje blijven liggen zonder dat er iets mee wordt gedaan.
Het beleid dat nu door het dagelijks bestuur van de provincie is ontwikkeld gaat uit van een doelmatige
en - uit het oogpunt van milieu - aanvaardbare verwijdering van wrakken.
Daarvoor zijn er een aantal mogelijkheden.Hergebruik van onderdelen en verwerking van reststoffen wordt gestimuleerd. Ook wordt een redelijke spreiding van de sloopbedrijven over de provincie nagestreefd. Naast sloopbedrijven zijn er ook nog inleverterreinen, het provinciale autowrakkenopslagterrein en verwerkings-inrichtingen. In het kort volgt hieronder per inrichting de visie van Gedeputeerde Staten.

autosloperij Rhenoy bv
   Foto: Provincie Gelderland








Inleverterreinen
Iedere gemeente met meer dan 20.000 inwoners moet tenminste een terrein hebben waar iedereen gratis een wrak kan afleveren. Dat kan een apart terrein zijn, maar ook onderdeel zijn van een al bestaande autosloperij. Voor de overige gemeenten moet zo’n terrein binnen een straal van 15 kilometer liggen.
Gemeenten kunnen dat samen regelen. Al bestaande samenwerkingsverbanden en regio-indelingen
gelden daarvoor als uitgangspunt.
Provinciaal autowrakkenopslagterrein
De provincie heeft op dit moment in de gemeente Doetinchem en terrein waar 1000 wrakken tijdelijk kunnen worden opgeslagen. Het gaat hier om wrakken van ontruimde bedrijven en illegaal achtergelaten wrakken. Het ziet er naar uit dat de capaciteit van dit terrein, ook voor de toekomst, ruimschoots voldoende is. Uitbreiding met een nieuw terrein is niet noodzakelijk.
Autosloperijen
Per aar worden er in Gelderland door ruim 200 sloopbedrijven zo'n 75.000 wrakken verwerkt. Het Rijk heeft berekend dat een sloper het minimumloon kan verdienen als hij per jaar tenminste 1000 wrakken sloopt. De rekensom is duidelijk: als het om inkomen gaat zijn er teveel sloperijen in verhouding tot het wrakkenaanbod.

autosloperij Rhenoy bv
   Foto: Provincie Gelderland








De provincie zal dan ook geen nieuwe sloopbedrijven toelaten. Zij streeft er eerder naar het aantal te verminderen. Hoe, daar wordt verderop in deze brochure op ingegaan. Een uitzondering op deze regel zou kunnen worden gemaakt voor gebieden van zo’n 15.000 tot 20.000 inwoners waar nog geen sloopbedrijf aanwezig is.
Verwerkingsinrichtingen
De huidige capaciteit aan shredders en schrootscharen in en om Gelderland is voldoende.
Uitbreiding van het aantal van deze inrichtingen wordt daarom niet toegestaan.

Uitgangspunt:
bescherming van het milieu
Een milieuhygiënisch aanvaardbare verwerking van autowrakken heeft in het beleid van de provincie een sterke nadruk. Er wordt daarom in het Autowrakkenplan aandacht besteed aan de inrichting van een terrein, het hergebruik van onderdelen, het verwijderen van reststoffen en de ligging van het terrein.
Een sloperij zal zo goed mogelijk moeten worden ingepast in de omgeving. Wrakken mogen niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg. Tevens moet vervuiling van bodem, grondwater, oppervlaktewater en lucht worden voorkomen. Ook mag er geen geluidsoverlast of andere hinder voor de omgeving zijn. Voor al deze eisen worden de Richtlijnen van het ministerie gehanteerd.
Hergebruik van materialen en onderdelen heeft de voorkeur. Daarmee wordt de afvalhoop kleiner.
Het vereist van de slopers wel dat er goede opslagmogelijkheden worden gemaakt en er enige ordening wordt aangebracht. Het publiek kan dan ook gemakkelijker bij sloopbedrijven terecht voor tweedehands onderdelen. De overige afvalstoffen (vloeistoffen en banden) moeten volgens de voorschriften die daarvoor gelden (onder andere Wet Chemische Afvalstoffen) worden verwerkt. Er zijn daarvoor speciale bedrijven.


Autosloperijen en verwerkingsbedrijven mogen niet in drinkwaterwingebieden liggen, niet in woongebieden en in natuurwetenschappelijk, landschappelijk en landbouwkundig waardevolle gebieden. Ook niet in bodembeschermingsgebieden en gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie.
Dit is een hele opsomming van allerlei voorschriften waaraan een sloopbedrijf zal moeten voldoen.
Via de Afvalstoffenwetvergunning wordt het allemaal geregeld.

Vergunningen
Wanneer het Autowrakkenplan in december 1989 door Provinciale Staten is vastgesteld, heeft dat voor de sloperswereld nogal wat gevolgen. De oude Hinderwetvergunning komt dan te vervallen. Iedere sloper zal een Afvalstoffenwetvergunning bij de provincie moeten aanvragen. Zo'n vergunning geldt voor ten hoogste 10 jaar.
Er zijn ook kosten (leges) verbonden aan de vergunning. Dit bedrag - minimaal al gauw een paar duizend gulden - wordt vastgesteld aan de hand van factoren als grootte van het bedrijf, gebruikte machines, opslagtanks en andere voorzieningen.
De andere kosten die met het krijgen van een vergunning samenhangen, namelijk alle voorzieningen die moeten worden aangebracht, moeten ook door het bedrijf zelf worden opgebracht.
Dit betekent voor alle slopers: investeren en doorgaan of het bedrijf opheffen. Een harde en moeilijke
keus, maar er valt niet aan te ontkomen. De maatregelen voor de bescherming van ons milieu zijn duidelijk.

Een Afvalstoffenwetvergunning wordt alleen afgegeven als het bedrijf op een aanvaardbare plek ligt (bijvoorbeeld industrieterrein), er allerlei milieutechnische voorzieningen zijn om vervuiling te voorkomen en het bedrijf een redelijk financiële toekomst heeft. Tevens is een voorwaarde dat er een goede administratie is waaruit blijkt wat er met de wrakken en de reststoffen is gebeurd.
Zijn de milieuvoorzieningen niet aanwezig (vloeistofdichte en oliebestendige vloer, milieusluis, halfverhard terrein voor opslag), dan kan een vergunning voor maximaal 5 jaar worden gegeven.
Dan moeten wel de noodzakelijke voorzieningen binnen die tijd zijn aangebracht. Lukt dat niet, dan
zal het bedrijf moeten worden opgeheven. Een sloperij zonder vergunning mag niet blijven bestaan.
Daar is het provinciaal bestuur heel duidelijk in.
Op het bijgevoegde schema staat de hele procedure van vergunningverlening nog eens ter
verduidelijking uitgeschreven.

Uitvoering van beleid
Het Autowrakkenplan loopt van 1990 tot 1995. In die tijd wil het provinciaal bestuur alle maatregelen uitvoeren. Deze snelle aanpak is in het belang van de bescherming van het milieu. Het voorkomt ook een langdurige verstoring van de concurrentieverhoudingen. Het behandelen van de nieuwe vergunningaanvragen, controles en de daarmee samenhangende eventuele verplaatsing en opheffing van bedrijven, zal in die tijd moeten plaatsvinden.
Op pagina 16 t/m 22 is een aparte lijst gevoegd met daarop alle - geregistreerde - sloopbedrijven en hun ligging. De nummers die nu in de tekst volgen, verwijzen naar de op die lijst vermelde sloopbedrijven.

Verplaatsing / opheffing van bedrijven
Omdat zij op hun huidige plek niet milieuhygiënisch inpasbaar zijn (drinkwaterwingebied, natuurgebied,
woongebied e.d.), komen voor verplaatsing of opheffing de volgende 32 bedrijven in aanmerking:
Aalten (3), Apeldoorn (1, 2, 3, 16, 18, 19), Arnhem (4), Buren (1), Ede (1), Geldermalsen (3, 4),
Gorssel (1), Groesbeek (1), Hoevelaken (1), Huissen (1), Lingewaal (1), Neerijnen (1), Nunspeet (2),
Nij­kerk (3), Renkum (1, 2, 3), Rheden (1), Ubbergen (1), Vorden (1), Warnsveld (1), Westervoort (1)
en Winterswijk (1).

Dan zijn er nog ongeveer 80 bedrijven op terreinen met een agrarische bestemming.
Het provinciaal bestuur gaat ervan uit dat het merendeel daarvan, als aan alle verplichtingen wordt voldaan, een Afvalstoffenwetvergunning kan krijgen. Zo niet, dan volgt verplaatsing (als het bedrijf rendabel is) naar een betere locatie of opheffing.
Hergebruik van onderdelen, verwijdering van reststoffen
Gedeputeerde Staten willen het hergebruik van onderdelen bevorderen. Daarvoor is een goed inzicht nodig in de hoeveelheden autowrakken en afvalstoffen, waar ze vandaan komen en waar ze uiteindelijk naar toe gaan. Iedereen die een vergunning heeft of krijgt moet dat soort zaken registreren. Van belang is in ieder geval dat alleen bedrijven die een vergunning hebben in het kader van de Wet Chemische Afvalstoffen, de afgewerkte olie en het accuzuur mogen inzamelen.
Andere onbruikbare reststoffen (zoals banden die niet meer voor hergebruik in aanmerking komen), moeten milieuhygiënisch aanvaardbaar worden opgeslagen of verwerkt (op stortplaatsen of in verbrandingsinstallaties).

Besluitvorming
Op de voorgaande bladzijden heeft u een indruk kunnen krijgen van de ideeën van Gedeputeerde Staten van Gelderland over de problematiek van de autowrakken. Die ideeën zijn nu vastgesteld in een zogenaamd voorontwerpplan. Voordat het tot een definitief plan komt moet er nog heel wat gebeuren.
Er zijn voor u verschillende mogelijkheden om uw stem te laten horen.

Inspraak
Eerst is er de inspraak voor alle betrokkenen en geïnteresseerden. Mondeling kunt u uw mening geven of in discussie gaan met de verantwoordelijke gedeputeerde mevrouw C. Stigter op een van de vijf inspraakbijeenkomsten, waarop ook informatie zal worden gegeven.
Deze bijeenkomsten worden gehouden in:

Arnhem op 5 september 20.00 uur in het
Provinciehuis, Markt 11

Nijmegen op 6 september. 20.00 uur in het
Kolpinghuis, Smetiusstraat 1

Apeldoorn op 12 september, 20.00 uur in
Hotel Bloemink, Loolaan 56

Ruurlo op 19 september, 20.00 uur in
Restaurant De Luifel, Dorpsstraat 11

Tiel op 22 september, 14.00 uur in
Zalencentrum Gustaaf Adolf, Konijnenwal 38

Ook schriftelijk kunt u uw opvattingen kwijt. Uw reactie moet dan wel voor
17 oktober 1988 binnen zijn.
Het adres:
Provincie Gelderland,
dienst Voorlichting en Inspraak,
Postbus 9090,
6800 GX Arnhem.

En daarna
De resultaten van de inspraak worden samengevat en voorgelegd aan het college van Gedeputeerde
Staten (half december 1988). Daarna wordt aan de hand van die resultaten bekeken of en hoe het
voorontwerpplan moet worden aangepast.
In februari 1989 zal dit dagelijks bestuur van de provincie dan een ontwerpplan vaststellen. Zij geeft dan meteen commentaar op de inspraak. Dit ontwerpplan wordt ter visie gelegd op alle gemeentehuizen en het provinciehuis in de periode van 10 april tot en met 8 juni 1989.
Iedereen kan dan schriftelijk bezwaar aantekenen tegen het plan. Er kan ook mondeling bezwaar worden gemaakt. Rond eind mei (in de periode van tervisielegging) wordt daarvoor een openbare bijeenkomst georganiseerd.
Gedeputeerde Staten gaan dan nog eens bekijken of de bezwaren aanleiding geven het plan te veranderen. Zij doen dat in een voorstel aan Provinciale Staten. Dit voorstel wordt eerst besproken in de Commissie Milieubeheer. Tijdens deze openbare commissievergadering (eind oktober 1989) kan er gebruik worden gemaakt van het spreekrecht om bijvoorbeeld een inspraakreactie of bezwaarschrift nog eens met nieuwe argumenten te ondersteunen.
De vergadering van Provinciale Staten, waarin het definitieve Autowrakkenplan zal worden
vastgesteld, is gepland voor december 1989. Daarna kan met de uitvoering van het beleid worden begonnen.

Naar boven
_____________________________________________________________________________________

Brief: reactie op voorstel autowrakkenplan 1999 – 1995 Provincie Gelderland: 


College van Gedeputeerde Staten
van de Provincie Gelderland.
Postbus 9090
6800 GX Arnhem


Rhenoy, 10 oktober 1988


Onderwerp: Autowrakkenplan.


Geacht College,

Hierbij maak ik , mevrouw P. van Steijn- van Iperen, woonachtend Dorpsstraat 8, 4152 EP te Rhenoy, gebruik van de mogelijkheid om schriftelijk te reageren op het Voorontwerp Autowrakkenplan 1990 – 1995, aangeboden door mevrouw C. Stigter op de inspraakhoorzittingen van 5 september j.l., 6 september j.l., 12 september j.l. en 22 september j.l.
De vraag van de Commissieleden is tweeledig:
a. Informatie over "Rhenoy BV",
b. Voorontwerp Autowrakkenplan 1990-1995.

INFORMATIE RHENOY BV.
Is het de commissieleden bekend dat op 23 oktober 1962 de aankoop is gedaan van perceel 694, Sectie F kadastraal bekend gemeente Beesd, door de heer M.H. van Steijn.
De bestemming van dit terrein is ‘agrarisch productiegebied van landschappelijke waarde met lintbebouwing van woningen’. De eigenaar van deze percelen grond, de Nederlands Hervormde Kerk te Rhenoy, en het vigerend bestemmingsplan van gemeente Beesd, agrarisch productiegebied van landschappelijke waarde met lintbebouwing (woningen), zijn doorslaggevend geweest bij de aankoop van dit perceel en bij andere aankopen van percelen grond om tot het bouwen van woningen over te gaan.
Tijdens deze bouw van de woningen bleek dat het perceel, kadastraal bekend onder 242, Sectie F, gemeente Beesd, niet te koop werd aangeboden voor woningbouw. Want op datum 28 juni 1963, de aankoopdatum van het perceel F 242 door de heer H.W.A. Story, werd dit perceel vol gereden met autowrakken door deze nieuwe eigenaar. Na het aantekenen van protest in 1963 door de heer M.H. van Steijn bij B&W van de gemeente Beesd tegen het niet handhaven van de bestemming gegeven aan dit gebied, kreeg de 'Schoonheidscommissie’ de opdracht van de gemeente Beesd om dit protest nader te onderzoeken.
Onder protest van de heer M.H. van Steijn werd door B&W Beesd en de ‘Schoonheidscommissie'
een rijtje bomen geplaatst door Staats Bosbeheer als oplossing.
Het bedrijf werd in toenemende mate een bron van visuele hinder, ook vonden er af en toe verbrandingen van afval en van autobanden plaats op het terrein.
Zonder het in kennis stellen van de bewoners op dit agrarisch gebied, heeft B&W van gemeente Beesd een vrijstelling verkregen van het verbod van de verordening tegen landschapontsiering van het aangekochte perceel, bekend onder nr. F693, eigenaar de heer Story, door GS Gelderland verleend in 1972.
Volgens het bestemmingsplan Buitengebied Beesd 1971 had het eerste terrein, perceel F 242 (het zuidelijk terrein) F 693 (het noordelijk terrein), geen bestemming van autosloopterrein.
De eerste mogelijkheid van formeel protest aan te tekenen tegen deze illegale autosloopterreinen deed zich voor in 1978 bij de aanvraag van een hinderwetvergunning voor deze percelen.
Op 8 juli 1981 is in een procedure van protest tegen deze hinderwetvergunning de uispraak van de Krooncommissie geweest dat deze vergunning niet verleend mocht worden door B&W van gemeente Geldermalsen.
Het beleid van de gemeente Geldermalsen voor het beleid van de voormalige gemeente Beesd
over deze illegale sloopterreinen, hield in dat het illegaal bestaan van dit bepaalde bedrijf, Rhenoy BV, moest worden gelegaliseerd binnen de Hinderwet.
Tijdens de protestprocedure van de Bestemmingsplanwijziging, de eerste aanpassing van dit illegale terrein, werd door een vijftiental inwoners uit het dorp bij de gemeente Geldermalsen geprotesteerd.
Het antwoord van de nieuwe gemeente Groot-Geldermalsen was dat de protesten tegen het Bestemmingsplan bij de lopende Hinderwetvergunning ondergebracht moesten worden.
Om andere redenen dan door B&W genoemd, is er een kroonprocedure gestart tegen de wijziging van het Bestemmingsplan.
Na oriëntatie op de wettelijke mogelijkheden van bestemmingsplanwijzigingen en mogelijkheden
in 1980 werd ons het volgende duidelijk.
Bij het Ministerie van VROM werd ons de volgende nota ‘Richtlijn autowrakkenplan’, als leidende informatie voor bestemmingsplan wijzigingen voorgelegd.
Met het ontwerp voor ogen van de richtlijnen voor de in artikel 21 van de Afvalstoffenwet genoemde voorschriften provinciale plannen voor autowrakken, en de definitieve Richtlijn voor provinciale plannen inzake de verwijdering van autowrakken van 20 augustus 1980, hebben wij in 1980 een alternatief aangeboden inzake de subsidie mogelijkheid van de Provincie Gelderland ter grootte van f 5.000.000, welke was bedoeld om autosloperijen te saneren die:
a. illegaal zijn, wat betreft bestemming (hier de zaak);
b. in een gebied van landschappelijke waarde ligt (bestemming Buitengebied Rhenoy);
c. gelokaliseerd in een woongebied in een straal van 500 vierkante meter waarbinnen volgens deze richtlijnen woningen liggen.
De gemeente Geldermalsen heeft niets gedaan in 1980 met de informatie die de heer Story ons gaf dat hij voor een vergoeding zijn bedrijf wel wilde laten verplaatsen.
In 1980 is er tegen de wijziging van het bestemmingsplan ‘Rhenoy 1979 nr.1’ bezwaar aangetekend bij de Kroon omdat de gemeente Geldermalsen het bestemmingsplan ‘Rhenoy’ had vastgesteld, welke inhield bestemming gebouwen van bedrijven voor onderhoud- en/of stalling van motorvoertuigen.
Volgens het vigerend bestemmingsplan van 1971 (Beesd) hield deze bestemming in bebouwing van
lichte bedrijvigheid zoals een aannemersbedrijf, lichte industrie categorie 1, maar niet zware industrie
zoals categorie 4 zoals autosloopterreinen. Het gemeentebeleid van Geldermalsen was er toen niet op
gericht om het bedrijf voor verplaatsing in aanmerking te laten komen volgens de bovenvermelde
subsidiemogelijkheid.
De Kroonprocedure van 1980 heeft opgeleverd dat de toen van kracht zijnde wetgeving voor het verlenen van een hinderwetvergunning en het wijzigen van een bestemmingsplan niet aan elkaar gekoppeld werd, maar gescheiden van elkaar konden worden gevoerd.
In de periode 1980 en 1986 zijn er verschillende Kroonprocedures aangespannen door omwonenden tegen het inmiddels opgesplitste bedrijf, namelijk van “Bert Story bv” naar “Rhenoy bv”.

Door inwoners van de gemeente Geldermalsen en direct omwonenden van het bedrijf zijn er tegen de volgende onderdelen van bedrijfsvoering protesten gemaakt:

Overlast ten gevolge van het branden van allerlei materialen op het terrein.

Het bouwen van een autospuiterij die luchtverontreiniging zou gaan veroorzaken.

De vestiging van een tectyleerbedrijf op het noordelijk terrein.

Tegen de visuele hinder van het noordelijk en zuidelijk terrein.

Het plaatsen van een illegale caravan met bewoning door een werknemer op het zuidelijk terrein.

De overlast bij aan- en afvoer van vrachtwagens met autowrakken en onderdelen uit Duitsland, waar het wegenplan volgens de infrastructuur van het dorp niet op berekend is.

Het verbranden van accubakken en daarbij vrijkomende PCB stoffen.

De verontreiniging van afgewerkte oliën op het openbaar riool.

Intimidaties door werknemers aan omwonenden door middel van dreigementen.

Intimidaties van leden van clubs en verenigingen waardoor nogal bestuurswisselingen het gevolg waren.

Klachten van politici zoals mevrouw R. Janssen- De Boys, tweede kamerlid met milieu taken, aan
B&W Geldermalsen over hun beleid.
De directe klachten van overlast door omwonenden op het gebied van lawaai, storing in de
elektriciteit, ‘s nachts werkende motoren, beroet wasgoed, hakken en snijbranden, lozingen van
vetten en oliën in de bodem, verontreiniging van oppervlaktewateren, het onhygiënisch bewonen van
een direct aangrenzende illegale caravan, het weggooien van afvalwater, het stoken van een
kachel met afgewerkte olie, het urineren tegen bomen op de erfafscheiding, intimidatie door werknemers
vanaf de inrichting aan omwonenden door middel van beledigende opmerkingen,
stankoverlast van uren draaiende vrachtwagenmotoren zowel van aanvoerwagens
als van verschillende terreinauto’s/takelwagens/heftrucks/graafmachines, het opstijgen van olie en
vetdampen bij een temperatuur van 21 graden Celsius van de beide sloopterreinen, het aanbellen en
vragen stellen van cliënten voor het autosloopterrein, het in moeten schakelen van politie bij het
afgaan van alarminstallaties bij diefstal in de inrichting, het te woord moeten staan van bezoekers
van de bewoner van de illegale caravan.

Bovenvermelde klachten van overlast zijn in de afgelopen vijf- en twintig jaar veelvuldig gemeld bij:
a. politie Geldermalsen
b. B&W Geldermalsen
c. de gemeentelijk milieuambtenaar de heer Voest
d. de inspecteur van Milieuhygiëne van de provincie Gelderland
e. de Gedeputeerde Staten van provincie Gelderland
f.  de Commissie van Geschillen van Bestuur te Den Haag
g. de Stichting Natuur en Milieu te Utrecht
h. Mr. Otten te Utrecht
i.  de officier van justitie de heer N. Leeman
j.  het Hoofd Beroepen Milieuhygiëne mr. G.J. Menken
k. De heer M. de Bruijne, Commissaris van de Koningin van provincie Gelderland
l.  en vele andere personen en instanties die met het milieu bezig zijn vanuit werkzaamheden
    of interesse.

ENKELE DETAILS TOEGELICHT.
In 1981 ben ik afgesloten van het openbare riool, omdat er oliestank in mijn woning werd geconstateerd door de Dienst Waterschap. Deze klacht duurde twee jaar lang, de afsluiting van het openbare riool als oplossing voor de oliestank heeft anderhalf jaar geduurd.
Er werd verontreiniging geconstateerd ter hoogte van het garagebedrijf “Bert Story”, ten gevolge van een defecte olieafscheider.
Vanaf 7 januari 1986, tot de dag van heden heb ik toe moeten staan dat in opdracht van de burgemeester de heer Baris onderhoud wordt gepleegd aan de groenvoorziening die het bedrijf omringd. Dit is mij duidelijk geworden nadat ik geen toestemming had gegeven om een hoveniersbedrijf in mijn tuin werkzaamheden uit te laten voeren voor de heer Story, maar dat in bijzijn van de burgemeester de heer Baris en de commissaris van Politie ik onder dwang deze werkzaamheden moest laten uitvoeren.
Op 1 juli 1987 is de overlast van het gooien van zware motoren en auto-onderdelen in ijzeren containers zó hevig geweest dat de Hoofdcommissaris van politie de heer van Toorn herhaaldelijk op deze dag is verzocht om deze overlast te laten stopzetten. Slechts laat op de middag werd hieraan gehoor gegeven door de komst van de heer Voest en twee dienst doende agenten van politie.
Door de politie werd toen toegezegd dat zij proces-verbaal zouden maken. Dit is evenwel later, blijkens een schrijven aan de Hoofdcommissaris, niet gebeurd. Op deze dag zijn er geluidsbanden en fotoreportages gemaakt.

In juni 1986 heeft de Rijks Akedemie Nieuw Rollecate, Akedemie voor THW en Milieukunde, een onderzoek gedaan naar het autosloopterrein Rhenoy BV, getiteld “van achteren een koe in de kont kijken”.

Conclusies en suggesties.
De provincie Gelderland zal bij het opstellen van een vergunning in het kader van de Afvalstoffenwet
rekening moeten houden met de situatie rondom het autosloopbedrijf.
Door goede voorschriften die in overleg met de gemeente, het autosloopbedrijf en omwonenden opgesteld
worden, is het ons inziens wel degelijk mogelijk om de situatie tot ieders tevredenheid te verbeteren.
Ook kan bij het opstellen van het Provinciaalplan inzake autowrakken het bedrijf in de toekomst op
de saneringslijst geplaatst worden.

Het bovenvermelde historisch overzicht vanaf 23 oktober 1962 tot op heden, met enkele van de vele details toegelicht, geeft u hierbij hopelijk een ruimer inzicht in het milieubeleid van de gemeenten Beesd en Geldermalsen, alsook de handel en wandel van de heer Story.

VOORONTWERP AUTOWRAKKENPLAN GELDERLAND 1990 - 1995.
Naar aanleiding van de hoorzittingen die zijn gehouden op 5 september j.l. te Arnhem en op 6 september j.l. te Nijmegen betreffende het Voorontwerp Autowrakkenplan voor de Provincie Gelderland die door ons beide avonden zijn bezocht, is ten aanzien van de organisatie die ten grondslag ligt aan het Voorontwerp het volgende duidelijk geworden.
Vanuit het forum, bestaande uit de Gedeputeerde mevrouw C. Stighter, de heer Noteboom, de voorzitter de heer Visser en de heer Van Moorsel, is naar voren gekomen dat al sinds het jaar 1983 de heer Story, eigenaar van sloperij Rhenoy bv, zitting heeft in verschillende commissies ten behoeve van het Provinciaal Autowrakkenplan.
Het blijkt dat de heer Story initiatiefnemer is geweest om de Stichting Belangenbehartiging Autoslopers (Stiba) op te richten. Leden van deze stichting dienen ± f 2000,- als contributie te betalen.
Volgens de heer Van Moorsel is het betrekken van de heer Story bij het Autowrakkenplan als volgt
gebeurd:
In het jaar 1983 heeft de heer Story naar de provincie gebeld voor inlichtingen. Wat voor soort inlichtingen het betrof is niet bekend. Toen het duidelijk werd bij de provincie wie het betrof die belde is de heer Story gevraagd of hij zitting wilde nemen in de Projectgroep Autowrakkenplan Gelderland.
Het doel van de Provincie Gelderland om de heer Story erbij te betrekken was, volgens de heer Van Moorsel, informatie te krijgen op welke wijze zij andere slopers konden benaderen.
Dus de heer Story, tegen wie al gedurende twintig jaar procedures lopen waarvan gedurende de laatste negen jaar juridische procedures (Raad van State, afdeling geschillen van bestuur), heeft sinds 1983 zitting in overheidscommissies.
Op de vraag of Stiba bodemonderzoeken heeft laten verrichten bij haar leden en zij de uitslagen en rapportage hierover heeft gezonden naar de Provincie, werd ontkennend geantwoord door mevrouw Stighter. Toegegeven werd wel dat de heer Story zitting heeft gehad in de Projectgroep, maar op de vraag of men kon zeggen wat daar besproken is geweest kwam het antwoord van de Voorzitter dat dit een “persoonlijke” zaak betrof.
En ook dat vragen ten aanzien van de organisatie van het Autowrakkenplan niet thuishoren op een hoorzitting.
Toen wij de conclusie trokken dat de heer Story dus mede het beleid heeft bepaald en dat dit dus rechtsongelijkheid veroorzaakt, was het antwoord van de Voorzitter dat het natuurlijk wel toevallig is dat er twee partijen zijn die in een proces verwikkeld zijn.
Op de vraag of het Voorontwerp nog wel mag worden gezien als een objectief plan werd door mevrouw Stighter geantwoord dat volgens haar het geheel democratisch tot stand is gekomen.

Hiermede onze toelichting gegeven te hebben op uw Hoorzittingen, zien wij graag uw reactie
schriftelijk tegemoet.

Hoogachtend,

Mevrouw P. van Steijn- Van Iperen

Mevrouw P. van Steijn- Van Iperen
Dorpsstraat 8
4152 EP Rhenoy

Naar boven
_____________________________________________________________________________________

Bezwaarschrift: 

Aan
Provinciale Staten
van de Provincie Gelderland
Postbus 9090
6800 GX Arnhem

Onderwerp: Bezwaarschrift tegen het Ontwerp Autowrakkenplan van de Provincie Gelderland.


Rhenoy, 5 juni 1989


Geacht College,

Hierbij deelt ondergetekende, mevr. P. van Steyn-van Iperen, p/a Dorpsstraat 8, 4152 EP Rhenoy, U het volgende mede. Op d.d. 10 april tot en met 9 juni 1989 heeft het Ontwerp Autowrakkenplan in Gelderse
gemeentehuizen en in de bibliotheek van het Huis der Provincie, Markt 11 te Arnhem, ter inzage gelegen.

Op de hoorzitting van 22 mei j.l. te Arnhem, heb ik mondeling bezwaar gemaakt tegen het Ontwerpplan.

Tegen een aantal onderdelen van het Ontwerpplan teken ik hierbij schriftelijk bezwaar aan.
Het betreft hierbij het volgende.

Artikel 7 van de Afvalstoffenwet luidt als volgt.

‘Alvorens het ontwerp van een plan overeenkomstig artikel 8 ter inzage wordt gelegd, wordt overleg gepleegd met de besturen van de in de provincie gelegen gemeenten en met de inspecteur en worden de ondernemingen die in de provincie werkzaam zijn op het gebied van de afvalverwijdering, in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken’.

Naar aanleiding van bovenstaande bepaling heeft provincie Gelderland voor de totstandkoming van het plan de volgende procedurevorm gekozen.
‘In 1983 is er een projectgroep autowrakken ingesteld waarin onder meer formeel zitting hebben de Stichting Belangenbehartiging Autowrakkenbranche (STIBA 1986).
De projectgroep brengt advies uit en doet voorstellen aan Gedeputeerde Staten van Gelderland. Het College stelt vervolgens op basis van de voorstellen en het advies van de projectgroep en de Statencommissie Milieubeheer haar beleidsuitgangspunten vast. In samenwerking met de Dienst Milieu en Water stelt de projectgroep op basis van deze beleidsuitgangspunten een voorontwerpplan op.
Dit wordt vervolgens weer aan Gedeputeerde Staten ter vaststelling voorgelegd. In het najaar van 1988 is de mogelijkheid geboden tot overleg en inspraak over het voorontwerpplan. In februari 1989 hebben Gedeputeerde Staten het ontwerpplan vastgesteld . (blz. 3 Ontwerp)

De provincie motiveert de door haar gehanteerde procedurevorm als volgt.
‘Een vertegenwoordiger van de Stichting Belangenbehartiging Autosloperbranche (STIBA 1986) heeft
zitting in de projectgroep. Wij hebben met name deze vertegenwoordiger daartoe uitgenodigd. De wet
schrijft overleg met de ondernemers voor voordat een ontwerpplan wordt gepubliceerd. Wij hebben
gemeend dat het goed is om vertegenwoordigers bij de gedachtewisseling over het te formuleren beleid
te betrekken. Wij leren dan ook de problematiek in die bedrijfstak kennen. Dit is van groot belang bij de
uitvoering van het beleid. Van een onevenredig grote invloed kan en mag niet worden gesproken.
De projectgroep telt in totaal 18 leden; de meeste daarvan zijn medewerkers van onze provinciale
diensten’. (blz. 22 Commentaar)

Verder heeft de provincie over de deelname van het bedrijfsleven in de projectgroep het volgende
medegedeeld.‘De heer Story van autosloperij Rhenoy bv is als ondernemer op het gebied van
afvalverwijdering door ons gevraagd zitting te willen nemen in de in te stellen projectgroep en advies
te geven en voorstellen te doen in het kader van de bedrijfsvoering in de autowrakkenbranche. Het jaar
waarin de heer Story voor het eerst heeft deelgenomen in de projectgroep was het jaar 1983’. (De heer
Van Moorsel, dienst MW, 6 september 1988, te Nijmegen).

Naar aanleiding van deze mededeling is de provincie gevraagd of zij niet vindt dat daarmee een
belangenvermenging zou kunnen ontstaan en bovendien of zij niet vindt dat hierdoor belangen van
anderen zouden kunnen worden geschaad.

De provincie volstaat met haar antwoord hierover zoals in het Commentaar op Inspraakreacties (blz. 22)
is aangegeven en in dit bezwaarschrift al is aangehaald.
Uit het bovenstaande mag dan ook worden geconcludeerd dat de positie van de heer Story voor het bestuur van de provincie omstreden is. Dit blijkt uit het herhaaldelijk verzuimen van het verstrekken van gegevens die hierover formeel opheldering zouden kunnen verschaffen.
De heer Story heeft naast zijn beroep als sloper een geruim aantal jaren al de functie van adviseur op
autosloopgebied bij de provincie.

Als een van de hoofddoelstellingen van de provincie voor het opstellen van het autowrakkenplan neemt de bescherming van het milieu hierin een voorname plaats in. Maar dat sinds 1983 tot de dag van vandaag hiervan niets blijkt, hoeft niemand te verbazen. Alles wat de heer Story iedere dag weer aan overlast veroorzaakt, wordt door de vergunningverlenende instanties, die tevens een controlerende functie hebben, onverminderd toegelaten. De gemeente Geldermalsen en de provincie Gelderland hebben hun keuze gemaakt. Door de positie van de heer Story wordt opnieuw nadrukkelijk aangetoond voor wie de overheden hebben gekozen.

Gezien het bovenstaande mag dan ook worden aangenomen dat mijn belangen hierdoor op niet geringe wijze worden geschaad. En dat dit dan ook nooit zal veranderen zolang de heer Story met zijn sloperij naast mij blijft gevestigd, staat voor mij nu wel vast.
Het gekozen beleid van de provincie inzake het Ontwerp Autowrakkenplan in het kader van de nieuwe
Afvalstoffenwet, welke is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Gelderland, laat er dan ook geen twijfel
over bestaan hoe de toekomst er uit zal gaan zien. De consequentie hiervan zal zijn dat ik voor wat betreft het
wonen in mijn huis en het genieten van mijn tuin afhankelijk zal blijven van de autosloper Story. Dit was in het verleden zo, en dat zal in de toekomst zo blijven, zoveel is nu voor mij wel duidelijk.
Ik doe U dan ook opnieuw het verzoek om het Autowrakkenplan te wijzigen en de sloperij van de heer Story
onder dwang te sluiten.

De lijst van klachten over de autosloperij van de heer Story is de volgende.

1.   Het veroorzaken van lawaai overlast door het uitslopen van autowrakken door middel van mokers, hamers,
      (elektrische) zagen, beitels, snijbranders.
2.   Het verzaken van stank welke ontstaat door het lossnijden van autowrakken, waarbij de gevaarlijke stoffen
      als PVC, roet van rubber, tectyleer ingeademd worden.
3.   Het veroorzaken van stank welke ontstaat door dieselgestookte motoren van vrachtauto’s terreinauto’s,
      takelwagens, heftrucks.
      Stank veroorzaakt door opstijgende dampen van oliën en vetten bij een temperatuur van 20 graden.
      De dieselstank die rondom mijn woning blijft hangen en die door kieren mijn woning binnendringt, zowel bij
      lage als bij hoge temperaturen. De bekende smogvorming.
4.   De visuele hinder die de sloperij veroorzaakt.
      Men kijkt vanuit de ramen van de loods mijn woning in.
      Tevens ziet ment uit op mijn tuin en terras.
      De overlast van een bewoonde caravan. Deze staat al 16 jaar op de erfafscheiding bij de heer Story.
5.   Hierin wordt onhygiënisch gewoond: emmers vol vuil water worden door de bewoner buiten leeggegooid;
      walmende olie kachels waarvan het roet de woning binnendringt; het urineren tegen de erfafscheiding;
      overlast van radio en televisie
6.   De vluchtige stoffen welke vrijkomen door oxidering van de autowrakken.
7.   Mijn woning is afgesloten van de openbare riolering vanwege olieverontreiniging bij de heer Story welke is
      geconstateerd door het Zuiveringsschap.
8.   Sinds 7 januari 1986 is mijn tuin vrij gebied geworden voor het betreden van de heer Story c.s. voor het    
      doen van allerlei werkzaamheden. Dit op voorstel van de heer Baris, burgemeester van Geldermalsen.
9.   Het veroorzaken van lawaai overlast door het werpen van auto- en motor onderdelen in containers.
10. Intimidaties en fysieke bedreigingen door werknemers en klanten van de autosloperij.

Hoogachtend,

Mevrouw P. van Steijn- Van Iperen

Naar boven
___________________________________________________________________________________

Samenvattend Verslag van de Mondelinge en Schriftelijke inspraakreacties op het Voorontwerp: 

(INLEIDING: Blz.1. de wettelijke verplichting overleg te hebben met gemeentebesturen en de Inspecteur voor Volksgezondheid en Milieu. Blz. 2. vergunningverlening en controle door provincie Gelderland)

Bijlage 2. Verslagen inspraakbijeenkomsten
Plaats: Arnhem
Datum: 5 september 1988
Mevrouw VAN STEIJN (M01) vraagt naar de rol van de provincie Gelderland bij lopende procedures tegen Rhenoy bv (hierbij dient aangetekend te worden dat nog niemand op de hoogte was gebracht van de dubbelrol die de familie Story bij de provincie Gelderland vervult):

( Citaat provincie Gelderland:

Reacties van individuele insprekers

34 = Mw. P. van Steyn van Iperen, Dorpsstraat 8, 4152 EP Rhenoy
35 M1 = Mw. P. van Steyn van Iperen, Dorpsstraat 8, 4152 EP Rhenoy
36 M16 = dhr. Van Steijn, Dorpsstraat 8, 4152 EP Rhenoy
37 M35 = dhr. V. Steijn, Zuidwal 1, 4141 BE Leerdam
38 M36 = dhr. Story, Dorpsstraat 9, 4152 EM Rhenoy
39 M06 = dhr. J. Rosen, Bandholm 69, 2133 DJ Hoofddorp

Bijlage 2. Verslagen inspraakbijeenkomsten

Verslag inspraakbijeenkomst over het voorontwerp autowrakkenplan

Plaats: Arnhem
Datum : 5 september 1988

Forum: mevrouw Stigter (gedeputeerde)
             de heer Van Moorsel (dienst MW)
             de heer Notenboom (dienst MW)
             de heer Visser (dienst V+I, gespreksleiding).

Aanwezige statenleden: mevrouw Van Santdijk (PvdA), de heer Geenen (CDA), de heer Vennevertloo (CDA).

Verder aanwezig in de zaal: 35 belangstellenden.

Mevrouw VAN STEIJN (M01) vraagt welke invloed zij heeft als appellante in een tien jaar durende
beroepsprocedure tegen overlast van een autosloperij.
Ook vraagt zij welke rol het provinciaal bestuur in deze procedure kan hebben en waarom de provincie niet eerder maatregelen heeft getroffen tegen autosloopbedrijven.
Op een reactie uit de zaal dat deze bijeenkomst alleen voor slopers is bedoeld, antwoordt de voorzitter dat iedereen, dus ook omwonenden, welkom is en een mening naar voren kan brengen.

Mevrouw VAN STEIJN (MOI) vraagt wat voor het provinciaal bestuur de criteria is voor woongebieden.
Zij zegt nu geheel afhankelijk te zijn van het provinciaal bestuur met betrekking tot de overlast die zij ondervindt van autosloopbedrijf Rhenoy B.V.
Ook vraagt zij of na invoering van de Afvalstoffenwet er voldoende controle mogelijkheden op autosloopbedrijven zijn.

De heer ROSEN (M06) vraagt wie er beslist over het al dan niet handhaven van een bedrijf.
Hij zegt dat er door de Afvalstoffenwet veel kleine slopertjes bij zullen komen. De burgers kunnen dan alle bruikbare onderdelen uit het wrak slopen en verkopen, vervolgens kunnen zij het waardeloos geworden wrak gratis inleveren bij een gemeentelijk inleverterrein. Hij zegt dat volgens het autowrakkenplan de woonwagenbewoners op moeten rotten en dit terwijl juist deze groep jarenlang de stofzuiger voor de maatschappij in geweest.
Hij zegt in het plan alternatieven te missen voor woonwagenbewoners die niet aan de in het plan
gestelde eisen kunnen voldoen.
Hij zegt verder nog niet het hele plan te hebben gelezen maar dat hij na het lezen hiervan alsnog
schriftelijk zal reageren.
Eind citaat)

inleiding:
Na deze bijeenkomst op 5 september 1988 te Arnhem doet dhr. Rosen verslag van het feit dat Story zitting heeft in de overheidscommissie van provincie Gelderland. Hij doet dit op de parkeerplaats van het Provinciehuis te Arnhem. Gedeputeerde mevr. Stigter, even hiervoor in het Provinciehuis, zwijgt over dit feit. De volgende dag, tijdens de inspraak bijeenkomst te Nijmegen op 6 September 1988, confronteren wij haar met de mededeling zoals dhr. Rosen gemaakt had.

inleiding:
Plaats: Nijmegen
Datum: 6 september 1988
In dit verslag is de eerste vraag die aan mw. Stigter (gedeputeerde) is gesteld en het antwoord hierop geheel weggelaten. Dit betrof de vraag of dhr. Story zitting heeft in het provinciaal overleg. Niet mw. Stigter maar
dhr. Van Moorsel (dienst MW) heeft deze vraag wel tijdens deze bijeenkomst beantwoord. In het bezwaarschrift (5 juni 1989) gericht aan Gedeputeerde Staten wordt opnieuw melding gemaakt van hetgeen de heer Van Moorsel (dienst MW) woordelijk heeft gezegd ten aanzien van het functioneren van de heer Story binnen de provinciale overlegcommissies ten dienste van het autowrakkenplan alsmede de toedracht, het tijdstip van toelating tot de commissies en de motivering om juist de heer Story binnen dit provinciaal
overleg op te nemen. Cruciaal hierbij moet zijn, gelet op de Wet de op Openbaarheid van Bestuur, dat gedeputeerde van Milieu, mevrouw C. Stigter, die blijkens de verklaring van de heer Van Moorsel op de hoogte was van het functioneren van de heer Story in overlegcommissies en hem tijdens overlegprocedures waarvoor zij verantwoordelijk is ook al in die hoedanigheid moet hebben ontmoet, dit niet uit eigen beweging openbaar heeft gemaakt. Gelet op het feit dat de totstandkoming van het Autowrakkenplan 1990 - 1995 van Provincie Gelderland aan de Kroon, het ministerie van Ruimtelijk Ordening en Milieu, ter goedkeuring moet worden overlegd moet worden aangenomen dat de hoedanigheid van de heer Story binnen het provinciaal overleg buiten de stukken die ter goedkeuring zijn overlegd is gelaten:

( Citaat provincie Gelderland:
De heer VAN STEIJN (M16) stelt een aantal vragen, te weten:
1. Welke maatschappij heeft het bodemonderzoek in Rivierenland technisch uitgevoerd. (Heidemij.).
2. Wie is de opdrachtgever aan deze maatschappij. (provincie).
3. Is het waar dat de Stiba ook deel uitmaakt van de commissie bodemonderzoek Gelderland. (Neen).
4. Is hieruit de conclusie te trekken dat de heer Story van sloperij Rhenoy B.V. een eigen bodemonderzoek heeft   
    laten uitvoeren en dat het provinciaal bestuur na de uitkomst van dit onderzoek haar beleid hierop heeft    
    afgestemd (niet bekend, men is vrij deze documentatie aan de provincie voor te leggen).
5. In welke andere projecten heeft de Stiba zitting (geen).
6. Waarom in dit plan alleen aandacht voor slopers en niet voor direct omwonenden.
    (Voor de provincie op dit moment buiten de orde en teveel werk ) .
7. Is het autowrakkenplan wel objectief. (Plan is op democratische wijze tot stand gekomen ) .
Eind citaat)

inleiding:
Plaats: Tiel
Datum: 22 september 1988
De heer VAN STEIJN (M35) confronteert mw. Stigter opnieuw met het opnemen van de heer Story in provinciale commissies voor overleg:

( Citaat provincie Gelderland:
Verslag van de inspraakbijeenkomst over het voorontwerp autowrakkenplan

Plaats:   Tiel
Datum : 22 september 1988

Forum: mevrouw Stigter (gedeputeerde)
             de heer Van Moorsel (dienst MW)
             de heer Notenboom (dienst MW)
             de heer Visser (dienst V+I, gespreksleiding).

Aanwezige statenleden: mevrouw Termeer (VVD).
Verder aanwezig in de zaal: + 30 belangstellenden.

De heer VAN STEIJN (M35) twijfelt aan het nut van de inspraak over het autowrakkenplan. Deze twijfels baseert hij op het feit dat een aantal mensen die zelf belang hebben in de autosloopbranche, meegewerkt hebben in de voorbereiding van het voorontwerpplan.
Hij vraagt naar de relatie gemeentelijke inleverterreinen en provincie en of deze relatie op Bert Story
van toepassing kan zijn.
Hij zegt de indruk te hebben dat alleen kleine sloperijen voor verplaatsing in aanmerking komen.
Verder zegt hij de indruk te hebben dat het spel niet democratisch gespeeld wordt.
Hij vraagt of het forum direct een orgaan kan noemen die een controlerende functie uit gaat oefenen.
Verder vraagt hij om in een zin uitleg te krijgen over het feit dat een aantal personen waartegen
procedures zijn aangespannen tegen de uitvoering van de hinderwetvergunning functioneren in inspraakcommissies, voorlichtingscommissies en in provinciale commissies.

De heer STORY (M36) merkt op dat de door de heer Van Steijn genoemde procedure tegen Rhenoy B.V. losstaat van de inspraakcommissie van de Stiba en wijst de beschuldigingen tegen de controlerende functie resoluut van de hand.
Eind citaat)

inleiding:
blz. 8 (M6) dhr Rosen, als woordvoerder van het Provinciaal Platvorm Woonwagenbewoners Gelderland, gaat in op de werkgelegenheidsproblematiek:

( Citaat provincie Gelderland:
Werkgelegenheid
Het gestelde over werkgelegenheid is te oppervlakkig en op onderdelen onjuist, vindt men. Dat bijvoorbeeld de werkgelegenheid door hergebruik gunstig zal worden beinvloed, in onjuist. Het zal juist verminderen. Wel zal weer volwaardige werkgelegenheid ontstaan. Voorgesteld wordt aan de tekst toe te voegen dat het provinciaal bestuur de.werkgelegenheid zo gunstig mogelijk wenst te beïnvloeden. Dit kan door het inzetten van extra formatieruimte bij de GSW, het instellen van een werkgelegenheidsfonds voor woonwagenbewoners waaruit economisch haalbare initiatieven kunnen worden ondersteund. Ook gemeentebesturen zouden een financiële mogelijkheid moeten creëren voor tijdelijke begeleiding (8).
Hierop aanhakend wordt opgemerkt dat woonwagenbewoners nu de dupe dreigen te worden van dit beleid, terwijl ze jarenlang goed werk hebben verricht. Hier moet de provincie ernstig rekening mee houden (29). Het Gelders Informatiecentrum Woonwagenzaken gaat eveneens uitgebreid in op de werkgelegenheidsproblematiek. Zij stelt dat het plan grote gevolgen heeft voor de (marginale) werkgelegenheid van woonwagenbewoners. Het is onverantwoord dat niet op de consequenties wordt ingegaan. Op z'n minst moet een sociale paragraaf worden opgenomen met concrete oplossingen (begeleiding van rendabele bedrijven, scholing en opvang van jonge gesaneerde slopers, opvang oudere kansloze woonwagenbewoners die moeten stoppen met hun bedrijf).
Ook wordt voorgesteld met name woonwagenbewoners te betrekken bij gemeentelijke en provinciale
inleverterreinen. Een goede gedachtewisseling is noodzakelijk (16, M6, M7, M31, M32, M33, M37)
Eind citaat)

inleiding: Blz. 11. 3e alinea » kritiek op samenstelling van Projectgroep Autowrakkenplan (34, M16, M35, M1)

( Citaat provincie Gelderland:
Een punt van kritiek is dat het opnemen van vertegenwoordiger(s) van het bedrijfsleven in de Projectgroep Autowrakkenplan niet juist is geweest in verband met vermenging van functies en een onevenredig grote invloed op de inhoud van het plan (34, M16, M35). Als het bedrijfsleven (slopers/belangenorganisatie) daarvoor is uitgenodigd, had op zijn minst ook een belangengroepering van omwonenden daarin zitting moeten hebben (34).Bovendien had de provincie veel eerder maatregelen moeten treffen tegen sloopbedrijven (M1).
Eind citaat)

inleiding: Blz.12. 4e alinea »(34) een bedrijf in Rhenoy zou op de saneringslijst geplaatst moeten worden:

( Citaat provincie Gelderland:
Ook ten aanzien van een bedrijf in Rhenoy wordt opgemerkt dat dit op de saneringslijst geplaatst zou moeten worden. In ieder geval moet er bij de vergunningsvoorwaarden voor dit bedrijf rekening gehouden worden met de situatie er omheen zoals ook door de Rijks Academie Nieuw Rollecate (milieukunde) in haar onderzoek bij dit bedrijf in 1986 wordt gesteld (34) .
Eind citaat)

Naar boven
___________________________________________________________________________________

Verslag van de op 22 mei 1989 in het gebouw Rijnstate, Markt 9 te Arnhem gehouden openbare zitting 

( Citaat provincie Gelderland:
Verslag openbare zitting/ontwerp-autowrakkenplan 23 juni 1989 n.a.v. de openbare zitting van 22 mei
1989 in het gebouw Rijnstate te Arnhem.
Verslag van de op 22 mei 1989 in het gebouw Rijnstate, Markt 9 te Arnhem gehouden openbare zitting,als bedoeld in artikel 9, lid 2, van de Afvalstoffenwet, over het ontwerpprovinciaal Autowrakkenplan 1990-1995

Aanwezig namens de provincie:
H. Frens (SGP), voorzitter
J.H. Vennevertlo (CDA), plaatsvervangend voorzitter
C. van de Berg (PvdA)
J. de Blécourt-Maas (VVD)
ir. H.G.M. Geenen (D'66)
drs. F.J.M. van Kalmthout (PvdA)
drs.J.M.B.Lansink-vanDam(CDA)
A.J.C.van Sandijk-Willemsen(PvdA)
mr. ing. D.W. Tiemens (PvdA),
allen leden van Provinciale Staten en van de Statencommissie Milieubeheer

ing.L.M.M. van Moorsel
J.C. Notenboom,
medewerkers van de provinciale dienst Milieu en Water

      De heer FRENS, optredend als voorzitter, opent de zitting. Hij heet de aanwezigen welkom.
Hij zet het doel van de zitting uiteen en geeft beknopt de verdere procedure voor de totstandkoming van het autowrakkenplan aan. Voorts attendeert hij de aanwezigen op de presentielijsten en merkt daarbij op dat een ieder die die lijst invult het verslag van de zitting zal ontvangen. Ten slotte wijst hij erop, dat alle tegen het ontwerp-plan ingediende bezwaren zullen worden voorgelegd aan Provinciale Staten bij de vaststelling van het plan en aan de Kroon in verband met de goedkeuring van het plan. Daarna geeft hij het woord aan de aanwezigen.
       De heer P. van Steijn. Zuidwal 1, 4141 BE Leerdam zegt mede te spreken namens in- en omwoners van het dorp Rhenoy. Er zijn zeer weinig in- en omwoners aanwezig; zij hebben weinig mogelijkheden gehad de inspraak over het plan te volgen; maar weinigen zijn op de hoogte van deze bijeenkomst.
       Hij maakt bezwaar tegen het ontwerp-plan, omdat de autowrakkeninrichting aan de Dorpsstraat te Rhenoy (Geldermalsen-7) daarin niet als te saneren inrichting is aangemerkt. In het plan zou kunnen worden geregeld de inrichting te verplaatsen naar een planologisch aanvaardbare locatie op een industrieterrein.
       Daarvoor zijn er ook subsidie mogelijkheden. Evenmin als van die mogelijkheid gebruik is gemaakt heeft een nieuwe toetsing aan de milieuhygiënische aspecten plaatsgevonden via een aanvraag om Afvalstoffenwetvergunning.

       De heer VAN DEN BERG vraagt of het bedrijf thans een Hinderwetvergunning heeft.

       De heer VAN STEIJN antwoordt daarop bevestigend, maar merkt wel op dat het dan nog niet vanzelfsprekend is dat het bedrijf een Afvalstoffenwetvergunning krijgt en dat er over de Hinderwetvergunning nog een beroepszaak bij de afdeling voor de Geschillen van Bestuur bij de Raad van State loopt.