Klachtencommissie GS Gelderland 1433
Aan: Presidium van de Commissie voor Klachten en Verzoekschriften
Van: dr H.P. Potman, hoofd afd. Afval, dienst MW
c.c.: drs H.M.D. Brouwer, directeur MW
Datum: 14 december 1999
Betreft: brief van mevr. P. van Steijn-van Yperen over medewerker dienst MW CVK 1793
In januari 2000 behandelt uw commissie een brief met bijlagen van mevr P. van Steijn van Yperen over de heer B.A.M. Kolle, medewerker binnen mijn afdeling.
Tijdens do commissievergadering zal ik het woord voeren.
Bijgaand treft u enige achtergrond-informatie.
De problematiek van de familie Van Steijn en het bedrijf Rhenoy (autodemontagebedrijf), dateert al van vele jaren her. In de jaren 60 is in de toenmalige gemeente Beesd een perceel grond verkocht aan de familie Van Steijn en het aangrenzend perceel aan een ondernemer. Deze heeft daar een autodemontagebedrijf gevestigd dat thans onder de Rhenoy b.v. wordt uitgeoefend door de heren N. van Kessel en A. van Kessel.
De provincie is in de loop van de jaren 80 bevoegd gezag geworden van dit bedrijf. Reeds voor die tijd was de bestemming van de percelen al vastgelegd in bestemmingsplannen van de gemeente Beesd.
Een korte eerste reactie op de drie punten die in de brief van mevr Van Steijn worden aangeven. Het eerste punt refereert aan de Gelderlander van 7-10-1999 waarin een brief van de provincie wordt genoemd waarin staat aangegeven dat de zaak een 'disproportioneel beslag' legt op de medewerkers van de dienst en `geen redelijk milieubelang wordt gediend'.
Men kan met rede twisten over de vraag of in een brief van een overheid dit kan worden genoemd Ik refereer echter ook aan een brief van de voormalige directeur MW waarin zij opmerkt dat ' ...... het bezwaarde uiteraard vrij staat onverkort van de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen gebruik te (blijven) maken, als zij van mening is dat voorschriften niet worden nageleefd' (brief MW97-8273-6095U1).
Voorts wijs ik op een brief van voormalig minister Nijpels van 28 maart 1989: 'Samenvattend wil ik vaststellen dat het aanzienlijke tijdsbeslag, dat op ambtenaren van de gemeente, provincie en regionale inspectie door U is gelegd met betrekking tot deze zaak, er niet toe heeft kunnen leiden dat u overtuigd bent van het feit dat dit bedrijf niet in aanmerking komt voor sanering. Ik betreur dit zeer' (DGM/0939505).
Ook opmerkelijk in dit verband is een brief van officier van justitie Tideman van 5 januari 1994: Ik verzoek u daarom ons met uw vermoedens niet lastig te vallen en serieuze meldingen te deponeren bij het bevoegd gezag, de Provincie' (Ah.3400 5260/93).
Het tweede punt raakt de integriteit van de heer Kolle als behandeld ambtenaar. Dit punt lijkt in de eerste plaats te refereren aan de betrokkenheid van de heer Story, bij het provinciale autowrakkenplan. Ter informatie: de heer Story is als vertegenwoordiger van een branche-organisatie betro saneringen overigens op inrichtingen die niet aan de milieu-eisen voldoen of uit oogpunt van ruimtelijke ordening illegaal zijn. Dit heeft geen betrekking op een inrichting als Rhenoy bv. omdat dit bedrijf een geldige vergunning heeft en ingepast is in het bestemmingsplan.
Wat betreft het opereren van de ambtenaar verwijs ik naar bet stelsel van 'checks and balances' dat terug te vinden is in het parafensysteem van de provincie en de mogelijkheden voor beroep etc. Altijd is tenminste één hogere ambtenaar naast de heer Kolle ambtelijk verantwoordelijk voor een mede- of eindparaaf. Daarnaast verwijs ik naar enkele brieven en uitspraken van de Raad van State en de Commissie Bezwaar en Beroepschriften van de provincie.
De milieu-inspectie schrijft op 3 maart 1994:'Alle handhavende instanties ....geven ....aan dat er onvoldoende redenen zijn om uw klachten te kunnen staven. Ik geloof niet in de complottheorie en ben van mening dat de door u geuite klacht niet juist is. Ik breng uw klacht dan ook niet in procedure en heb hem terzijde gelegd.' (0303940054o/1k).
Minister M. de Boer schrijft op 10 april 1998: 'De provincie heeft naar de mening van de Inspectie Milieuhygiëne elke keer zorgvuldig nagegaan of er sprake was van overtredingen van de vergunningvoorschriften'.
(HIMH/SO77&C/ED/pl 010798002L).
Ook via de bestuursrechtelijke kanalen is de fam Van Steijn telkenmale in het ongelijk gesteld. Er zijn dus geen aanwijzigingen dat een ambtenaar van de provincie niet zorgvuldig heeft gehandeld en een burger éénzijdig heeft benadeeld ten gunste van een bedrijf.
Tenslotte wordt gerefereerd aan de asbestproblematiek bij sloopwerkzaamheden. Ik wijs er op dat het hier om een bevoegdheid van de gemeente gaat. Een betrokkenheid van de heer Kolle is dus niet aan de orde.
Ik betreur het zeer dat de integriteit van de heer Kolle in twijfel wordt getrokken. Het lijkt er op dat de boodschapper van het onwelkome bericht door de fam Van Steijn wordt aangepakt nadat vele andere wegen tevergeefs zijn bewandeld. Ik hoop dat de behandeling in de commissie over de zaak
zelve kan gaan.
Mevr Van Steijn heeft een aantal krantenknipsels bijgevoegd. De koppen van de berichten suggereren zaken die in de artikelen zelve veel genuanceerder aan de orde komen. Ten aanzien van bericht in het Nieuwsblad Geldermalsen 'Meer controle op autosloperij Rhenoy' verwijs ik naar de bijgevoegde rectificatie die het nieuwsblad op 21 oktober 1999 heeft afgedrukt.
H. P. Potman
MW/AFV
Bijlagen: brieven plus krantenknipsel
____________________________________________________________________________________
Ministerie van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Postbus 20951, 2500 EZ 's-Gravenhage
Telefoon (070) 26 42 01, van Alkemadelaan 85
Telex 34429 voro nl
DIRECTORAAT GENERAAL MILIEUBEHEER
DIRECTIE AFVALSTOFFEN
Mevrouw P. van Steijn-van Iperen
Dorpsstraat 8
4152 EP Rhenoy
Uw kenmerk Uw brief van Kenmerk Datum
20 februari 1989 DGM/A 28 maart 1989
0939505
Onderwerp
Autosloperij Rhenoy BV/ontwerp VERZONDEN OP:29 MAART 1989
provinciaal autowrakkenplan Gelderland.
Geachte mevrouw van Steijn - van Iperen,
In Uw brief dd 20 februari 1989 verzoekt U mij om een overleg inzake het ontwerp-provinciaal autowrakkenplan van de provincie Gelderland. Ik moet U mededelen, dat ik niet op een dergelijk verzoek kan ingaan om de volgende redenen. Op de eerste plaats is het opstellen van afvalstoffen-plannen een primaire verantwoordelijkheid van de provincies. Daarnaast wordt mij het plan na vaststelling daarvan door het College van provinciale staten toegezonden met het verzoek een beslissing voor de Kroon voor te bereiden. Het honoreren van een verzoek zou tot een belangenvermenging kunnen leiden, mede als gevolg waarvan de provincie niet meer in de gelegenheid is om tot een eigen zelfstandige afweging van belangen te komen. Bij de voorbereiding van de door de Kroon te nemen beschikking wordt door mij grote aandacht aan de tot standkoming van de procedure geschonken, terwijl ook de zorgvuldige behandeling van de ingediende bezwaren door mij wordt bestudeerd. Het spreekt voor zich dat de inhoudelijke zijde van het plan, gericht op de sanering van het aantal autosloopinrichtingen, het voorschrijven van milieutechnische voorzieningen etc. tezamen met de hiervoor genoemde aandachtspunten kan leiden tot een voorstel om het plan goed te keuren, gedeeltelijk aan te houden of (gedeeltelijk) af te keuren. Naar ik begrijp is echter de hoofdreden van Uw verzoek gelegen in het feit dat U een aantal bezwaren hebt tegen een concreet bedrijf, te weten; autosloperij Rhenoy B.V. Het is mij bekend dat U reeds gedurende een aantal jaren langs vele wegen tracht Uw doel te bereiken, zijnde sluiting of verplaatsing van het bedrijf. Meer recentelijk hebt U naast het instellen van beroepsprocedures ook het FNV, de Vereniging milieudefensie en een lid van de Tweede Kamer der Staten, mevrouw L. van Rijn-vellekoop benaderd. Het is mij voorts uit ambtelijke informatie bekend, dat U de enige bent uit de directe omgeving die klachten uit over het bedrijf.
Persoonlijk kan ik me op basis van de ingewonnen ambtsberichten, over het in milieuhygiënische zin goed functioneren van het bedrijf, de aanwezigheid van milieutechnische voorzieningen, de aanwezigheid van een Hinderwetvergunning, zij het dat U daartegen beroep hebt ingesteld en de aanwezigheid van een bestemmingsplan, waarin deze bedrijvigheid is toegelaten, verenigen met het standpunt van de provincie om dit bedrijf niet te saneren. De door de Vereniging Milieudefensie gesignaleerde strijdigheid met de uitgangspunten van het rijksbeleid acht ik dan ook onjuist. Dit oordeel is mede gebaseerd op het feit dat de meerderheid van de Nederlandse autosloopbedrijven zowel planologisch niet ingepast is, niet over milieuvergunningen beschikken en geen milieutechnische voorzieningen heeft aangebracht. Mijn prioriteit is tesamen met de provincies erop gericht om met name deze bedrijven hetzij te saneren, hetzij verplicht de vereiste voorzieningen te laten aanbrengen. Gelet op het vorenstaande zal het U duidelijk zijn dat ik U niet kan steunen in Uw opvatting dat de autosloperij Rhenoy BV gesaneerd dient te worden. Dit laat echter onverlet dat U Uw standpunt in beroep tegen een nog te verlenen Afvalstoffenwetvergunning naar voren kunt brengen.
Samenvattend wil ik vaststellen dat het aanzienlijke tijdsbeslag, dat op ambtenaren van de gemeente, provincie en regionale inspectie door U is gelegd met betrekking tot deze zaak, er niet
toe heeft kunnen leiden dat U overtuigd bent van het feit dat dit bedrijf niet in aanmerking komt voor sanering. Ik betreur dit zeer.
Het spijt me U aldus te moeten berichten.
Afschriften van deze brief zend ik naar de gemeente Rhenoy, de provincie Gelderland, de regionale inspecteur, mevrouw L. van Rijn-Vellekoop en de Vereniging Milieudefensie.
De Minister voor Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Drs. E.H.T.M. Nijpels
Bijlagen
Verzoeke bij beantwoording onderwerp, datum en kenmerk van deze brief te vermelden.
Bereikbaar met de buslijnen 18 (stations HS - CS), en 23, NZH.bus vanuit Amsterdam 89, en vanuit Leiderdorp 64 of 65
Kenmerk DGM/A
nr. 0939505 28 maart 1989
_________________________________________________________________________________
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Rijnstate Postbus 9090
Markt 9 6800 GX Arnhem
Arnhem
telefoon (026) 359 91 11
telex 45 569 pbgld
telefax (026) 359 94 80
De voorzitter van kamer 2 van de
commissie bezwaar- en beroepschriften
D.t.v. de griffier,
de heer mr. W.J. van Vlijmen
BD/CC/AJZ - Huis der Provincie, BD kamer 3.10
datum nummer
- 13 november 1996 -MW95.70332-6095041
onderwerp
- Handhaving (IBM)
Verweerschrift
1 BESTREDEN BESLISSING
Bezwaarde
De heer mr. F. van der Brug, advocaat, heeft namens zijn cliënte, mevrouw P. van Steijn-van Iperen,
een bezwaarschrift, gedateerd 19 september 1996, ingediend. Het bezwaarschrift is als bijlage I bij
dit ambtsbericht gevoegd.
Bestreden besluit
Het bezwaarschrift is gericht tegen de fictieve weigering op het verzoek van 24 november 1995 om
handhavend op te treden.
Het verzoek is als bijlage II bij dit ambtsbericht gevoegd.
Achtergronden
De familie van Steijn voert sinds jaren strijd tegen de aanwezigheid van het autodemontagebedrijf Rhenoy B.V.
aan de Dorpsstraat.
De Inspectie van de volksgezondheid, de Minister van volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer en
de officier van Justitie zijn daarvoor in het verleden door de familie Van Steijn benaderd.
De genoemde instantie en ambtsdragers hebben nimmer aanleiding gezien de klachten van de familie Van Steijn
tegen het bedrijf gegrond te achten. Om aan de niet-tanende strijd een einde te maken heeft de directie van
Rhenoy B.V. in het VPRO-televisieprogramma 'Buren" aangegeven bereid te zijn het huis van de familie
van Steijn te kopen. Alhoewel het aanbod van Rhenoy B.V. alleszins redelijk was te noemen is hier door de
familie Van Steijn niet op gereageerd.
Tegen de door Gedeputeerde Staten op 26 januari 1993 aan Rhenoy B.V. verleende milieuvergunning is
schorsing/voorlopige voorziening en beroep gevraagd/ingesteld door de familie van Steijn.
De schorsing is door de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State afgewezen, terwijl
in beroep een voorschrift is aangepast. Voor het overige is het beroep toen ongegrond verklaard.
Een eerder gedaan handhavingsverzoek van de familie Van Steijn is op 8 november 1993 door Gedeputeerde
Staten afgewezen. Deze afwijzing is door de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State in
1994 terecht bevonden.
Inlichtingen bij dhr. B. Kolle doorkiesnr. 359 99 47
verzonden 13 NOV. 1996
Postbank 869 762
ABN.AMRO Arnhem 53 50 26 463
BNG `s-Gravenhage 28 50 10 824
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Rechtsgrondslag
Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b van de Algemene wet bestuursrecht wordt het niet-tijdig
nemen van een besluit voor de toepassing van de bepalingen over bezwaar en beroep gelijkgesteld met
een besluit. op grond van artikel 18.16, eerste lid van de Wet milieubeheer dient zo spoedig mogelijk, maar
uiterlijk binnen vier weken na ontvangst, op een handhavingverzoek ex artikel 18.14 Wet milieubeheer te
worden beslist.
2 BEZWAARSCHRIFT
Samenvatting van de aangevoerde bezwaren
1. Reclamante heeft op 24 november 1995 bij Gedeputeerde Staten een verzoek ingediend ter zake van
het toepassen van bestuursdwang tegen overtredingen door Rhenoy B.V. van voorschriften van de aan
haar verleende milieuvergunning en regelgeving van de milieuwetgeving. op dit verzoek is niet beslist
binnen een redelijke termijn, zodat Gedeputeerde Staten geacht worden afwijzend op voormeld verzoek te
hebben beslist.
2. In het bijzonder wordt bezwaar gemaakt tegen de weigering van Gedeputeerde Staten de behandeling van
haar verzoek voort te zetten nu zij te kennen heeft gegeven dat behalve haar raadsman ook een door haar
aan te wijzen vertegenwoordiger, in casu haar zoon de heer P. van Steijn aanwezig dient te zijn bij het
vertonen van de videobeelden aan de vergunninghoudster. Deze weigering is niet gegrond op enigerlei
bestuurlijke rechtsnorm en derhalve niet redelijk.
3 NIEUWE FEITEN OF OMSTANDIGHEDEN
Inmiddels is een nieuw verzoek om handhaving bij Gedeputeerde Staten ingediend. Daarbij is melding
gemaakt van het feit dat wederom video-opnamen zijn gemaakt van dezelfde soort overtredingen als
genoemd in de brief van 24 november 1995.
Over het bedrijf van Rhenoy B.V. zijn de laatste jaren geen klachten van omwonenden anders dan de
familie Van Steijn over hinder c.a. bij ons milieuklachten- en Informatiecentrum bekend.
Op 3 april 1996 is het bedrijf door een toezichthouder van mijn dienst bezocht. Er is toen niet geconstateerd
dat er binnen de zonering op het achterterrein geraasmakende werkzaamheden werden verricht, dat op
het voorterrein autowrakken waren gestald dan wel dat er werkzaamheden op hetzelfde voorterrein werden
verricht. Op het voorterrein bevond zich een aantal schadeauto’s dat voor de verkoop bestemd was.
Gedeputeerde Staten hebben bij brieven van 9 april en 3 juni 1996 de advocaat van reclamante verzocht
de videobeelden ten overstaan van de directie van Rhenoy B.V. te laten zien zonder aanwezigheid van
de heer Van Steijn jr; dit laatste in verband met de aard van hun onderlinge verstandhouding. Op deze
verzoeken is niet gereageerd behalve dan dat de advocaat van reclamante aangeeft dat de heer
Van Steijn jr. wel bij de vertoning van de beelden aanwezig dient te zijn.
De termijnoverschrijding is dus - door het uitblijven van een reactie aan reclamante zelf te wijten.
Gedeputeerde Staten hebben daarom hun beslissing op het verzoek van 24 november 1995 ten behoeve
van een zorgvuldige belangenafweging logischerwijs moeten opschorten.
4 ONTVANKELIJKHEID
Het bezwaarschrift is gedateerd d-d- 19 september 1996 en ontvangen op 23 September 1996. De bestreden beschikking is de door reclamante veronderstelde fictieve weigering op het verzoek om handhaving.
Het bezwaarschrift dat is gericht tegen het niet-tijdig nemen van een besluit is, ingevolge artikel 6:12 Awb, niet aan een termijn gebonden. Het bezwaarschrift voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 6;5 Awb gesteld worden en is dus ontvankelijk.
5 REACTIE OP BEZWAREN EN EVENTUEEL NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN Reactie op aangevoerde bezwaren
Ad 1
Gedeputeerde Staten hebben niet tijdig op het handhavingsverzoek van 24 november 1995 beslist, omdat Gedeputeerde Staten van oordeel zijn dat eerst de directie van Rhenoy B.V. de getoonde video-opnamen dient te zien, alvorens een beslissing wordt genomen (dit ter uitvoering van het gestelde in artikel 4:8 Awb, waarop hieronder in punt ad 2 nader wordt ingegaan). Daarover is door de advocaat van mevrouw Van Steijn in een later stadium een ander standpunt ingenomen, hetgeen een vertraging in de afhandeling van het verzoek heeft opgeleverd. Het laten zien van de beelden aan de directie van Rhenoy B.V., die daartoe overigens bereid was, had immers mogelijk een heel andere beoordeling van de door reclamante veronderstelde overtredingen te zien kunnen geven. Er is niet zo zeer sprake van een fictieve weigering, maar van het opschorten van de besluitvorming tot aan de voorwaarden voor het kunnen nemen van een besluit is voldaan. Dat nog niet is beslist, wordt veroorzaakt door de patstelling die door de opstelling van reclamante is ontstaan. Gedeputeerde Staten hebben daarom hun beslissing op het verzoek van 24 november 1995 ten behoeve van een zorgvuldige belangenafweging logischerwijs moeten opschorten. Dit onderdeel van het bezwaar is dus ongegrond.
Ad 2
Mogelijk is hier artikel 6:3 Awb van toepassing: een beslissing inzake de voorbereiding van een besluit is niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het bestreden besluit in zijn belang treft. Het bezwaar spitst zich toe op het aanwezig zijn van de heer Van Steijn bij het horen ex artikel 4:8 Awb. Het horen dient plaats te vinden in het kader van de voorbereiding van de beslissing op het handhavingsverzoek. Door het niet aanwezig zijn bij het horen wordt reclamante niet in haar belang geschaad. Mochten wij op basis van de zienswijze van Rhenoy B.V. overwegen het verzoek geheel of gedeeltelijk af te wijzen zal zo nodig toepassing gegeven worden aan artikel 4:7 Awb. Bovendien staan tegen een eventuele afwijzing van het verzoek rechtsmiddelen open. Reclamante wordt dus op geen enkele wijze in haar belangen geschaad. In dat geval zou het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard kunnen worden.
Voor het geval commissie van oordeel is dat dit artikel hier niet aan de orde is, is het volgende van belang: om uitvoering te kunnen geven aan het gestelde in artikel 4:8 Awb zijn Gedeputeerde Staten van de medewerking van reclamante afhankelijk, aangezien zij niet over een kopie van de videoband beschikken. Naar mijn mening is het horen van het bedrijf niet goed mogelijk in aanwezigheid van de heer P. van Steijn aangezien de communicatie tussen het bedrijf en de familie Van Steijn daarvoor te zeer verstoord is. Ook het bedrijf stelt hierop geen prijs. Het standpunt van Gedeputeerde Staten dat de aanwezigheid van de heer van Steijn bij de vertoning niet gewenst is, is dus met name door praktische overwegingen ingegeven. Net zomin als er een rechtsgrond is aan te geven op grond waarvan de heer Van Steijn van de vertoning buitengesloten zou moeten worden is er een rechtsgrond aan te wijzen op grond waarvan zijn aanwezigheid gerechtvaardigd zou zijn. Op dit moment is er echter sprake van een patstelling.
Bij bet horen in de zin van artikel 4:8 Awb zijn in beginsel alleen het bedrijf en de provincie partij. De enige reden dat hiervoor medewerking van de (vertegenwoordiger van) de familie Van Steijn nodig is, is dat Gedeputeerde Staten niet zelf over een exemplaar van de videoband beschikken. Op het moment dat de band aan het college ter beschikking wordt gesteld, is de aanwezigheid van (een vertegenwoordiger van) de familie Van Steijn geen vereiste meer. Op dat moment kan de zienswijze van het bedrijf gevraagd worden en op zeer korte termijn beslist worden op het handhavingsverzoek. Het zou achteraf gezien misschien verstandiger zijn geweest als de videoband als essentieel onderdeel van de motivering van het handhavingsverzoek was beschouwd. Het handhavingsverzoek had dan - door het niet ter beschikking stellen van de band aan het college - mogelijk niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden door het ontbreken van een essentieel deel van de motivering van het verzoek.
6 CONCLUSIE
Gelet op bet voorgaande geef ik de commissie in overweging aan Gedeputeerde Staten te adviseren:
- het bezwaar genoemd onder 1 ongegrond te verklaren;
- het bezwaar genoemd onder 2 niet-ontvankelijk te verklaren onder verwijzing naar artikel 6.,3 Awb.
Als contactpersoon, binnen mijn dienst fungeert de heer B.A.M. Kolle
(telefoon (026) 359 99 47).
Hoogachtend,
De directeur
(mevrouw drs. V.M.J. Besnard)
Bijlagen in chronologische volgorde behorende bij het verweerschrift:
- verzoek tot toepassing bestuursdwang d.d. 24 november 1995;
- bezwaarschrift d.d. 19 september 1996 fictieve weigering;
- brieven van Gedeputeerde Staten van 9 april en 3 juni 1996 aan de heer mr. F van der Brug
betreffende het vertonen van videobeelden;
- brief van 23 april 1996 van de heer mr. F. van der Brug betreffende het vertonen van
videobeelden met aanwezigheid van de heer Van Steijn jr.;
- brief Gedeputeerde Staten 16 oktober 1996 aan de heer mr. F. van der Brug.
coll. -/yv
code: EK/M9607841
__________________________________________________________________________________
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Markt 11 Postbus 9090
Arnhem 6800 GX Arnhem
telefoon (026) 359 91 11
telefax (026) 359 94 80
AANTEKENEN
Hummels, van der Brug en De Jong Advocaten
T.a.v. de heer mr. F. van der Brug
Postbus 85050
3508 AB UTRECHT
datum nummer
- 17 maart 1998 - MW97.8273-6095041
onderwerp
- Handhaving (IBM)
Beslissing op bezwaarschrift
Geachte heer Van der Brug,
Bij beschikking van 16 mei 1997, nr. MW97.8273-6095041, hebben wij het door u namens mevrouw P. van Steijn-van Iperen ingediend verzoek om handhavend op te treden tegen het autodemontagebedrijf Rhenoy B.V. te Rhenoy afgewezen. Die beschikking is door middel van verzending van de betreffende brief op 21 mei 1997 aan u bekendgemaakt.
Door u is namens mevrouw P. Van Steijn-van Iperen tegen deze beschikking een bezwaarschrift, gedateerd 20 juni 1997 en nader aangevuld bij brief van 29 augustus 1997, ingediend als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht. Dit is op 1 september 1997 door ons ontvangen.
Het bezwaarschrift is behandeld in Kamer I van de Commissie bezwaar- en beroepschriften op 4 november 1997. op 19 januari 1998 heeft de Kamer een schriftelijk advies uitgebracht. Het verslag van de zitting en het advies van de commissie treft u bijgevoegd aan. Wij hebben het advies van de commissie overgenomen.
Ontvankelijkheid bezwaarschrift
Het bezwaarschrift is binnen de wettelijke termijn en bij het juiste bestuursorgaan ingediend. Daarnaast voldoet het bezwaarschrift aan de eisen die daaraan op grond van de Algemene wet bestuursrecht worden gesteld. Het bezwaarschrift is derhalve ontvankelijk zodat wij het besluit dienen te heroverwegen.
Samenvatting bezwaren
a Voorterrein/verkoopklare auto's
Anders dan door Gedeputeerde Staten in hun beschikking gesteld, worden op het
voorterrein van autosloopbedrijf Rhenoy B.V. te Rhenoy autowrakken gestald. Dit is
bij brief van 26 februari 1997 reeds door Gedeputeerde Staten bevestigd. Aan
deze autowrakken werden sloopwerkzaamheden verricht. Voor die activiteiten,
alsmede aanvoeractiviteiten van autowrakken op het voorterrein, is geen vergunning
verleend.
b Rode zone: hinderlijke en geraasmakende werkzaamheden, gebruik
heftrucks e.d.
Door het openstaan van ramen en/of deuren komt duidelijk hoorbaar geluid naar buiten. Het laden van een bak met
uitlaatonderdelen binnen de zone is geraasmakend en valt onder het betreffende vergunningvoorschrift.
c Mechanisch verkleinen, openingstijden en valhoogte
De afstand tot het perceel van reclamante bedraagt ongeveer 100 meter. Bezwaarde is niet
in kennis gesteld van het resultaat van de afspraak dat vóór 15 mei 1997 de vergunninghouder
aan Gedeputeerde Staten zou meedelen dat een andere methode zal worden gevolgd met
betrekking tot het mechanisch verkleinen van autowrakken ten behoeve van transport. Uit de
videobeelden is tevens op te maken, dat:
- vergunde werkzaamheden buiten de toegestane openingstijden worden verricht;
- de valhoogte van wrakken hoger is dan de toegestane hoogte van 25 cm.
d Algemeen
Verweerders miskennen de problematiek waarmee reclamante wordt geconfronteerd en zijn niet in staat zelfstandig en adequaat controles uit te voeren. Stelselmatig hebben Gedeputeerde Staten aan bezwaardes woonbelang onvoldoende waarde gehecht. Vandaar dat door reclamante videobeelden zijn gemaakt. De suggestie ten aanzien van het gebruik van video-apparatuur is misplaatst, suggestief en derhalve onbehoorlijk. In het voortraject tot de bestreden beslissing is nimmer gewag gemaakt van "gesjoemel" en zijn de getoonde beelden ook nimmer door de vergunninghouder bestreden.
De op een na laatste alinea van de bestreden beslissing moet geacht worden in strijd te zijn met de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht.
Advies commissie
De commissie concludeert dat wij terecht hebben kunnen beslissen tot afwijzing van het verzoek om handhaving, zij het dat bij de beslissing op bezwaar twee gebreken zouden dienen te worden hersteld. Deze betreffen:
1 het buiten afwezigheid van bezwaarde bekijken van video-opnamen, waardoor de dienst geen blijk gegeven zou
hebben van fair play. Voorzover het verslag van die bijeenkomst nog niet aan bezwaarde zou zijn toegezonden,
dient dit alsnog te gebeuren;
2 het bestreden besluit en het verweerschrift bevatten onheuse passages. Dit dient in de beslissing op bezwaar te
worden rechtgetrokken.
Reactie op bezwaren en commissieadvies
Ten aanzien van de bezwaren hiervoor genoemd onder a t/m c hebben wij besloten het advies van de commissie over te nemen en deze bezwaren ongegrond te verklaren. Voor de motivering van deze beslissing verwijzen wij u naar het bijgevoegd advies.
Ten aanzien van het bezwaar genoemd onder d en het advies van de commissie inzake het herstellen van een tweetal gebreken merken wij het volgende op.
- Het bekijken van de door bezwaarde gemaakte videobeelden heeft plaatsgevonden in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van de beslissing op uw handhavingsverzoek. In dat kader is de directie van Rhenoy B.V. op 14 april 1997 gehoord, waarbij ook de resultaten van eerdere vertoningen - waarbij bezwaarde wel aanwezig is geweest zijn betrokken. Op die datum zijn de door u ter beschikking gestelde videobeelden opnieuw bezien. Indien wij hadden geweten dat u, of bezwaarde, daarbij aanwezig had willen zijn, zouden wij u zeker hebben uitgenodigd. Wij zijn ons derhalve niet bewust geweest dat deze omissie als een gebrek aan fair play had kunnen worden uitgelegd. Ogenblikkelijk na de bezichtiging van de video hebben wij u in het bestreden besluit geïnformeerd over onze bevindingen. Een verslag van deze vertoning is niet gemaakt. Zoals hiervoor al aangegeven zijn de resultaten ervan direct in de bestreden beschikking verwerkt.
Wij kunnen derhalve niet aan het advies van de commissie voldoen om alsnog een verslag toe te zenden. Aangezien de commissie van mening is dat noch door uw of bezwaardes afwezigheid bij de video-vertoning, noch door niet-toezending van het verslag bezwaarde in zijn belangen is geschaad, menen wij deze gebreken voor het overige te kunnen passeren.
Ten aanzien van de tweede suggestie van de commissie (naar aanleiding van uw bezwaar genoemd onder d) inzake "onheuse passages" merken wij het volgende op.
Wij gaan ervan uit dat de commissie doelt op de volgende passage op pag. 4 van de bestreden beschikking:
"Bovendien is aan de hand van een video-opname niet altijd na te gaan op welk moment deze is gemaakt omdat in principe het instellen van datum, tijd en geluld te allen tijde regelbaar zijn."
Indien wij van mening waren geweest dat er "gesjoemeld" zou zijn met de gemaakte video-opnamen zouden wij
dat zeker in onze beschikking hebben vermeld. Mochten wij bij bezwaarde de indruk hebben gevestigd dat
wellicht sprake is geweest van onregelmatigheden, dan bevestigen wij hierbij dat wij nooit die bedoeling
hebben gehad.
Ook door onze overige passages in de beschikking en in het verweerschrift uitmondend in de conclusie dat wij de discussie met u en uw cliënte als gesloten beschouwen, hebben wij geen ander oogmerk gehad dan herhaling van zetten te voorkomen. Het was geenszins onze bedoeling u en uw cliënte welke rechten dan ook te ontzeggen. Wij vertrouwen hiermee voldoende tegemoetgekomen zijn aan de opmerkingen ter zake van de commissie.
Ten slotte berichten wij u dat in de periode van 1 januari 1996 tot 1 februari 1998 bij het Milieuklachten- en informatiecentrum van deze provincie geen klachten meer over genoemd bedrijf zijn binnengekomen.
Besluit
Wij hebben de bestreden beschikking heroverwogen en besloten het bezwaarschrift van 20 juni 1997 ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking - met inachtneming van onze toelichting daarop - in stand te laten.
Een afschrift van deze beschikking, die u zowel aangetekend als per gewone post zal bereiken, is gezonden aan Burgemeester en Wethouders van Geldermalsen, de Inspectie milieuhygiëne Oost, de plaatselijke politie en de officier van justitie te Arnhem.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Commissaris griffier
van de Koningin
Mogelijkheid van beroep en voorlopige voorzien
Belanghebbenden kunnen ingevolge de Algemene wet bestuursrecht binnen zes weken na de datum van de bekendmaking van dit besluit hiertegen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage, door het indienen van een beroepschrift.
Het beroepschrift dient te zijn ondertekend en ten minste te bevatten:
· de naam en het adres van de indiener;
· de dagtekening;
· een omschrijving van het besluit waartegen het beroep is gericht;
· de gronden van het beroep.
Als een beroepschrift is ingediend, kan aan de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht een voorlopige voorziening te treffen, indien - gelet op de betrokken belangen - onverwijlde spoed dat vereist. voor het behandelen van een verzoek om een voorlopige voorziening en het beroepschrift wordt griffierecht geheven. Over de hoogte en de wijze van betaling van dit griffierecht kunt u informatie verkrijgen bij de genoemde Afdeling van de Raad van State, telefoon (070) 362 48 71.
bijlage
coll. -/el
code: YS/M9801864
Inlichtingen bij dhr. Kolle doorkiesnr. 359 99 47
verzonden 30 MAART 1998
Postbank 869 762
ABN.AMRO Arnhem 53 50 26 463
BNG `s-Gravenhage 28 50 10 824
__________________________________________________________________________________
_________________________________________________________________________________
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Rijnstate Postbus 9090
Markt 9 6800 GX Arnhem
Arnhem
telefoon (026) 359 91 11
telex 45 569 pbgld
telefax (026) 359 94 80
De voorzitter van kamer 2 van de
commissie bezwaar- en beroepschriften
D.t.v. de griffier,
de heer mr. W.J. van Vlijmen
BD/CC/AJZ - Huis der Provincie, BD kamer 3.10
datum nummer
- 22 september -MW97.8273-6095041
onderwerp
Handhaving (IBM)
Ambtsbericht naar aanleiding van het bezwaar-
schrift in het kader van de Algemene wet
bestuursrecht d.d. 20 juni 1997 nader
gemotiveerd bij brief van 29 augustus 1997
tegen de beschikking van Gedeputeerde Staten
van Gelderland van 16 mei 1997
1 BESTREDEN BESLISSING
Bezwaarde
De heer mr. F. van der Brug, advocaat,. heeft namens zijn cliënte mevrouw P. van Steijn-van Iperen een bezwaarschrift, gedateerd 20 juni 1997 en nader aangevuld bij brief van 29 augustus 1997, ingediend. Het bezwaarschrift en de nader ingediende gronden zijn als bijlage I bij dit ambtsbericht gevoegd.
Bestreden besluit
Het bezwaarschrift is gericht tegen de beschikking van Gedeputeerde Staten van 16 mei 1997, nr. MW97.8273-6095041, waarbij het verzoek van 23 februari 1997 handhavend op te treden tegen het bedrijf Rhenoy B.V. te Rhenoy, is afgewezen. Het verzoek is als bijlage II bij dit ambtsbericht gevoegd.
Rechtsgrondslag
De grondslag veer de afwijzing van het verzoek om handhaving zijn de artikelen 18.14 tot en met 18.16 van de Wet milieubeheer.
Op grond van artikel 18.16, eerste lid, van de Wet milieubeheer dient zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst op een handhavingsverzoek ex artikel 18.14 Wet milieubeheer te worden beslist. De beslissing op het bezwaarschrift is met toepassing van artikel 7:10, onder 3, van de Algemene wet bestuursrecht met vier weken verdaagd.
De termijn voor het indienen van nadere gronden is door Gedeputeerde Staten - overeenkomstig het verzoek van de raadsman van appellante - bij brief van 2 juli 1997 verlengd tot 1 september 1997 (zie bijlage III).
Gronden waarop bestreden besluit is gebaseerd
De gronden waarop het besluit tot niet-bestuursrechtelijk handhaven is gebaseerd, kamen uitgebreid in het bestreden besluit tot uitdrukking. Volstaan wordt met een verwijzing naar dit besluit.
Inlichtingen bij dhr. Kolle doorkiesnr. 359 99 47
verzonden 24 SEP. 1997 Postbank 869 762
ABN.AMRO Arnhem 53 50 26 463
BNG `s-Gravenhage 28 50 10 824
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
2 DE ACHTERGROND
a Overige belanghebbenden
De directie van Rhenoy B.V. kan ten aanzien van het bestreden besluit als belanghebbende worden aangemerkt. De directie is daarom voor de hoorzitting uitgenodigd.
b Achtergronden bestreden besluit
De familie van Steijn voert sinds jaren strijd tegen de aanwezigheid van het autodemontagebedrijf Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat. De inspectie van de Volksgezondheid, de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) en de officier van justitie zijn daarvoor in het verleden door de familie van Steijn benaderd.
De genoemde instantie en ambtsdragers hebben nimmer aanleiding gezien de klachten van de familie van Steijn tegen het bedrijf gegrond te achten. De verhoudingen tussen het bedrijf en appellante zijn in ernstige mate verstoord. Gedeputeerde Staten zijn als bevoegd gezag voor wat betreft het verlenen en handhaven van de aan Rhenoy B.V. verleende milieuvergunning bij deze slechte burenverhouding betrokken geraakt. Om een einde aan de niet-tanende strijd te maken heeft het bedrijf zelfs getracht het huis van de familie van Steijn te kopen. In het VPRO-televisieprogramma "Buren" heeft de directie van het bedrijf destijds een bod op het huis uitgebracht. De familie van Steijn is daar niet op ingegaan.
Tegen de door Gedeputeerde Staten op 26 januari 1993 aan Rhenoy B.V. verleende milieuvergunning is schorsing/voorlopige voorziening en beroep gevraagd/ingesteld door de familie van Steijn. De schorsing is door de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State afgewezen, terwijl in beroep een voorschrift is aangepast. Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard.
Een eerder gedaan handhavingsverzoek van de familie Van Steijn is op 8 november 1993 door Gedeputeerde Staten afgewezen. Deze afwijzing is door de voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State in 1994 terecht bevonden.
De president van de arrondissementsrechtbank te Arnhem heeft op 13 november 1996 naar aanleiding van een door appellante gevoerd kort geding tegen het bedrijf Rhenoy B.V. in zijn vonnis aangegeven dat op basis van de getoonde videocompilatie niet zonder meer overtredingen zijn vast te stellen. Dat is nu juist de taak van het daartoe aangewezen bestuursorgaan. De president is van mening dat het voorshands niet aannemelijk is dat er sprake is van onrechtmatig handelen van Rhenoy B.V. en als dat al zo zou zijn is het - voorlopig geoordeeld - niet van dien aard dat dit toewijzing van een zo vergaande vordering als door Van Steijn gesteld kan rechtvaardigen.
Nu wordt wederom een handhavingsverzoek ingediend. Ter ondersteuning daarvan zijn videobeelden getoond. Op deze beelden - en ook het karakter ervan - wordt in de beschikking van 16 mei 1997 uitgebreid ingegaan.
3 BEZWAARSCHRIFT
Bezwaarschrift d.d. 29 augustus 1997
Samenvatting van de aangevoerde bezwaren.
a Voorterrein/verkoopklare auto's
Anders dan door Gedeputeerde Staten in hun beschikking gesteld, wordt, werden en worden op het
voorterrein van autosloopbedrijf Rhenoy B.V. te Rhenoy autowrakken gestald. Dit is bij brief van
26 februari 1997 reeds door Gedeputeerde Staten bevestigd. Aan deze autowrakken werden
sloopwerkzaamheden verricht. Voor die activiteiten, alsmede aanvoeractiviteiten van autowrakken
op het voorterrein is geen vergunning verleend.
b Rode zone: hinderlijke en de werkzaamheden, gebruik heftrucks e.d.
Door het openstaan van ramen en/of deuren komt duidelijk hoorbaar geluid naar buiten. Het laden van een bak met uitlaatonderdelen binnen de zone is geraasmakend en valt onder het betreffende vergunningvoorschrift.
c Mechanisch verkleinen, openingstijden en valhoogte
De afstand tot het perceel van reclamante bedraagt ongeveer 100 m. Bezwaarde is niet in kennis gesteld van het resultaat van de afspraak dat vóór 15 mei 1997 de vergunninghouder aan Gedeputeerde Staten zou meedelen dat een andere methode zal worden gevolgd met betrekking tot het mechanisch verkleinen van autowrakken ten behoeve van transport.
Uit de videobeelden is tevens op te maken dat:
- vergunde werkzaamheden buiten de toegestane openingstijden worden verricht;
- de valhoogte van wrakken hoger is dan de toegestane hoogte van 25 cm.
Algemeen
Verweerders miskennen problematiek waarmee reclamante wordt geconfronteerd en zijn niet in staat zelfstandig en adequaat controles uit te voeren. Stelselmatig hebben Gedeputeerde Staten aan bezwaardes woonbelang onvoldoende waarde gehecht. Vandaar dat door reclamante videobeelden zijn gemaakt. De suggestie ten aanzien van het gebruik van videoapparatuur is misplaatst, suggestief en derhalve onbehoorlijk. In het voortraject tot de bestreden beslissing is nimmer gewag gemaakt van “gesjoemel” en zijn de getoonde beelden ook nimmer door de vergunninghouder bestreden.
De op een na laatste alinea van de bestreden beslissing meet geacht worden in strijd te zijn met de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht. Reclamante verzoekt de bestreden beslissing in te trekken en het bedrijf bestuursdwang aan te zeggen.
4 NIEUWE FEITEN OF OMSTANDIGHEDEN
Het bedrijf is voor het laatst op 1 september 1997 onaangekondigd bezocht en gecontroleerd. Gebleken is dat reeds in augustus 1997 de stalling op het voorterrein van verkoopklare (schade)auto's - door bezwaarde ten onrechte autowrakken genoemd - in zijn totaliteit is overgebracht naar het terreingedeelte aan de Dorpsstraat nummer 10. Het voorterrein dient thans als stallingplaats veer auto's van bezoekers. Een en ander is conform de in juni 1997 met het bedrijf gemaakte afspraak. Activiteiten betreffende aan- en afvoer van schadeauto's vinden op het voorterrein niet meer plaats.
5 ONTVANKELIJKHEID
Het bezwaarschrift is gedateerd d.d. 20 juni 1997, terwijl de nadere gronden van het bezwaar bij brief van 29 augustus 1997, ingekomen op 1 september 1997, zijn ontvangen.
Het bezwaarschrift voldoet aan de eisen die daaraan op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht gesteld worden en is dus ontvankelijk.
6 REACTIE OP BEZWAREN EN EVENTUEEL NIEUWE FEITEN EN OMSTANDIGHEDEN
Reactie op aangevoerde bezwaren
De in het bezwaarschrift gehanteerde onderwerpen kennen dezelfde volgorde/benaming als aangegeven in de beschikking van 16 mei 1997.
a Voorterrein/verkoopklare auto's
Zoals in punt 4 is aangegeven is er geen sprake meer van plaatsen van verkoopklare auto's op het voorterrein. Deze wijziging van bedrijfsvoering hield verband met een herstructurering van het bedrijf, zowel aan de Dorpsstraat 2 als aan de Dorpsstraat 10 te Rhenoy. Van aanvoeractiviteiten van schadeauto's op het voorterrein aan de Dorpsstraat 2 is evenmin sprake meer. De in het bezwaarschrift genoemde brief van 26 februari 1996 geeft aan dat Gedeputeerde Staten de handhaving bij Rhenoy B.V. serieus nemen. Deze overtredingen zijn daarna niet meer geconstateerd.
Voor het overige verwijs ik u naar hetgeen hierover in de beschikking is vermeld.
b Werkzaamheden binnen de werkplaatsen met gesloten deuren en
ramen; gebruikheftrucks, takelwagen in rode zone
In de beschikking onder b en c wordt uitgebreid ingegaan op de vermeende hiervoren genoemde overtredingen. Ten aanzien van het leggen van uitlaatdelen in een containerbak merk ik op dat deze incidentele activiteit - ten behoeve van een herindeling van het terrein - toen niet heeft plaatsgevonden binnen de rode zone. Evenmin is het een werkzaamheid met een kortere of langere duur die als geraasmakend of hinderlijk kan worden beschouwd.
Het gebruik van de tractor - zoals in de beschikking is weergegeven hield verband met het aanbrengen van een (nieuwe) verharding op het terrein. Conform de in april 1997 in het kader van het structureel toezicht met het bedrijf gemaakte afspraak is deze werkzaamheid - niet zijnde een meldingsplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.19, lid 3, van de Wet milieubeheer - aan mijn dienst doorgegeven. Ik ben van mening dat vervolgens mijn dienst niet gehouden is uit eigen beweging bezwaarde in het kader van het toezicht gemaakte afspraken over naleving van voorschriften te informeren. Het staat haar uiteraard vrij bij mijn dienst te informeren naar de voortgang van een gemaakte afspraak met betrekking tot de naleving van één of meer vergunningvoorschriften.
c Mechanisch verkleinen, openingstijden en valhoogte
Conform de met het bedrijf gemaakte afspraak is de werkwijze met betrekking tot het transportklaar maken van autowrakken veranderd. Alhoewel. ik van mening ben dat deze activiteit - gelet op de grote afstand van het huis van bezwaarde en de plaats waar deze activiteit plaatsvindt nauwelijks hinder kan opleveren, is in overleg met de directie en de betrokken toezichthouder toch (maar) voor een andere werkwijze gekozen. De daken van de wrakken worden ten behoeve van transport in elkaar gedrukt en de poliepgrijper zal niet meer als pletgewicht gebruikt worden. Er is niet met bezwaarde afgesproken dat zij van deze veranderde werkwijze op de hoogte zou worden gesteld. De afspraak gold tussen het bedrijf en Gedeputeerde Staten.
Voor het overige verwijs ik naar het in de beschikking onder d, e en f vermelde.
Algemeen
In de beschikking hebben Gedeputeerde Staten hun mening gegeven met betrekking tot het gebruik van een videocamera door een derde als ondersteuning van een handhavingsverzoek.
Ik betreur het dat bezwaarde in dit verband het woord "gesjoemel" gebruikt. In het 'voortraject zijn alle partijen betrokken geweest bij het vertonen van de videobeelden. Ten tijde daarvan en evenmin daarna is een oordeel uitgesproken over het gebruik van in dit geval een videocamera. Ik blijf evenwel van mening dat een onjuiste opname van een videocamera niet is uit te sluiten. Zo is immers het bedrijf beticht van het werken met openstaande ramen. De opname (sterk ingezoomd) gaf inderdaad die indruk. Later bleek dit echter een raam van het kantoorgedeelte te zijn. Dit mag uiteraard wel geopend zijn.
Zoals in de beschikking is vermeld zijn in de periode van 1 januari 1996 tot en met 1 mei 1997 geen klachten over het bedrijf Rhenoy B.V. bij het Milieuklachten- en informatiecentrum van de provincie Gelderland binnengekomen.
Ten aanzien van de reden van het vermelde in de een na laatste alinea van de beschikking (bladzijde 5), verwijs ik u naar het gestelde onder 2b van dit ambtsbericht.
Daarbij merk ik op dat het bezwaarde uiteraard vrijstaat onverkort van de haar ter beschikking staande rechtsmiddelen gebruik te (blijven) maken, als zij van mening is dat voorschriften niet worden nageleefd.
Voor wat betreft de uitleg van de in de beschikking omschreven begrippen en activiteiten die naar mijn mening vallen binnen de werking van de vergunning, wordt de discussie als gesloten geacht.
7 CONCLUSIE
Handhavend optreden is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten. Of in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik kan worden gemaakt, dient van geval tot geval te worden beoordeeld. De resultaten van de onderhavige onderzoeken naar aanleiding van het handhavingsverzoek van 23 februari 1997 gaven/geven geen enkele aanleiding om handhavingsmaatregelen te nemen.
Ik geef u daarom in overweging Gedeputeerde Staten te adviseren het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
Als contactpersoon binnen mijn dienst fungeert in deze zaak de heer B.A.M. Kolle van de afdeling Industriële Bedrijvigheid en Milieuzorg/Handhavinq (tel. (026)359 99 47).
Hoogachtend,
de directeur
(mw. Drs. V.M.J. Besnard)
bijlagen:
- verzoek tot toepassing bestuursdwang d.d. 23 februari 1997
- beschikking GS 16 mei 1997, nr. MW97.8273-6095041, betreffende afwijzing verzoek
- bezwaarschriften d.d. 20 juni 1997 en 29 augustus 1997 (plus vijf bijlagen) van de heer mr. F. van der Brug
- ontvangstbevestiging bezwaarschrift en uitstel kenbaar maken nadere gronden d.d. 2 juli 1997
coll.-/y
code: SP/M9705497
kopie :
- directie Rhenoy B.V., t.a.v. de heer H.J. Story, Filipsweistraat 9
4181 CH Waardenburg
- Van Rensch Advocaten, t.a.v. de heer mr. J.G.P.M. van Rensch, De
Hooghlaan 4, 3723 GR Bilthoven
- MW directeur, mw. Besnard
- MW/IBM/HH, B.A.M. Kolle
- MW/IBM/HH, J. de Leeuw
- MW/IBM/HH, R. Verkooijen
- MW/IBM/HH, S. Vreeburg
MW/IBM/HH, A.D. Schreutelkamp
- MW/CSP, W den Boer
- MW/IBM/AD/MV, J.C. Notenboom c.s.
- bibliotheek Hdp (ter inzage)
kopie + bijlagen:
- de griffier Commissie bezwaar- en beroepschriften (5x)
__________________________________________________________________________________
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Rijnstate Postbus 9090
Markt 9 6800 GX Arnhem
Arnhem
telefoon (026) 359 91 11
telex 45 569 pbgld
telefax (026) 359 94 80
De heer mr. F. van der Brug,
advocaat
Postbus 85050
datum nummer
9 oktober 1995 MW95.44795-6095041
onderwerp
Autodemontagebedrijf Rhenoy B.V.
Geachte heer van der Brug,
In antwoord op uw brief van 4 augustus 1995, kenmerk 93558F, delen wij u het volgende mee.
U vraagt ons uitleg te geven over het begrip 'verkoopklare auto's". Het komt ons echter voor dat in zijn algemeenheid verondersteld mag worden dat het een ieder bekend is wat onder een verkoopklare auto verstaan zou kunnen worden. Het is niet aan ons daarover een definitie te formuleren, noch dat ons enige regelgeving daaromtrent bekend is.
Voor wat betreft de verkoopklare auto's bij Rhenoy B.V. berichten wij u het volgende.
De auto's op het voorterrein zijn niet bedoeld om in het afvalstadium te geraken. Zij zijn opgenomen in het zogenaamde Autoboek en dienen uitsluitend voor de handel. Kentekens en kentekenplaten zijn bij deze handelsvoorraad aanwezig. Overigens bestaat er geen milieuhygiënisch bezwaar tegen de stalling van deze auto's op het voorterrein noch is er naar onze mening strijd met de aan Rhenoy B.V. verleende Afvalstoffenwetvergunning op dit punt.
Verdere bedrijfsactiviteiten mogen op dit terrein niet plaatsvinden. Dit is ook nimmer geconstateerd.
Voor het begrip "autowrak" verwijzen wij u naar bladzijde 16 van de door ons op 26 januari 1993 aan Rhenoy B.V. in beroep verleende Afvalstoffenwetvergunning. Uw cliënte is ongetwijfeld in het bezit van deze vergunning.
Overigens is bij Koninklijk Besluit van 2 november 1993, Stbl. 571, een nadere omschrijving van het begrip "autowrak' gegeven. Artikel 1 van dat besluit luidt:
"In gevallen waarin motorrijtuigen op meer dan twee wielen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeren, niet zijn voorzien van een bij deze motorrijtuigen behorend kenteken als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder le, van de Wegenverkeerswet en een geldig kentekenbewijs als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 2e, van de Wegenverkeerswet, worden deze aangemerkt als autowrakken."
Inlichtingen bij dhr. B. Kolle doorkiesnr. 359 99 47
verzonden 10 OKT. 1995 Postbank 869 762
ABN.AMRO Arnhem 53 50 26 463
BNG `s-Gravenhage 28 50 10 824
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Met betrekking tot de geplaatste containers berichten wij u nog dat Rhenoy B.V. plannen heeft ontwikkeld voor een uitbreiding van de bebouwing aan de Dorpsstraat te Rhenoy. Het gemeentebestuur van Geldermalsen is bereid deze uitbreidingsplannen mee te nemen in de algehele (integrale) herziening van het bestemmingsplan voor de kern Rhenoy. Het gemeentebestuur zal voor dit gebied naar verwachting in dit najaar een voorontwerp-bestemmingsplan vaststellen.
Rhenoy B.V. heeft - om haar plannen hierin in te betrekken - een milieu-aspectenstudie laten uitvoeren.
In deze studie en na realisering van genoemde plannen is geen plaats (meer) voor de aanwezigheid van de aanwezige opslagcontainers.
Tot het moment van realisering van die plannen bestaan onzes inziens geen overwegende milieuhygiënische bezwaren tegen de aanwezigheid van die containers. Voor zover onze informatie reikt heeft het gemeentebestuur van Geldermalsen - eveneens tot het moment van realiseren van de plannen evenmin ernstige bezwaren tegen de aanwezigheid van deze containers.
De aanwezigheid hiervan is evenwel niet in de aan Rhenoy B.V. verleende vergunning begrepen. Omdat wij van mening zijn dat deze wijze van opslag van goederen in genoemde containers een verbetering van de milieuhygiënische bedrijfvoering betekent, hebben wij de directie van Rhenoy B.V. inmiddels verzocht de aanwezigheid van de containers te melden via een melding op basis van de wet milieubeheer. Deze melding is inmiddels bij ons binnengekomen.
Wij vertrouwen erop u met het vorenstaande genoegzaam te hebben geïnformeerd.
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Gelderland
voorzitter griffier
coll. /dm
code: SP/9523941
__________________________________________________________________________________
Arrondissementsparket Arnhem
Aan
M.H. van Steijn
Dorpsstraat 8
4152 EP Rhenoy
Unit : Centrale Ondersteuning Arnhem, 5 januari 1994
Kenmerk : Ah.3400 5260/93
Uw kenmerk : --
Bijlage(n) : --
Onderwerp : handhaving autosloperij Rhenoy bv.
Naar aanleiding van uw brieven van 20 en 22 december 1993 heb ik de gerechtvaardigdheid van uw klachten onderzocht. Het is mij gebleken dat de inrichting (in de zin van de Wet Milieubeheer) van Rhenoy B.V. wordt gedekt door een recente Afvalstoffen Wetvergunning, afgegeven door Gedeputeerde Staten van Gelderland, en dat dit bedrijf zeer regelmatig gecontroleerd wordt. Er zijn geen gegronde klachten vernomen en er zijn geen overtredingen van de aan de vergunning verbonden voorschriften geconstateerd.
Ik verzoek U daarom ons met uw vermoedens niet lastig te vallen en serieuze meldingen te deponeren bij het bevoegde gezag, de Provincie.
De Officier van Justitie,
P.L.C. Tideman
afschrift aan: Provincie Gelderland
Politie Geldermalsen
Regionale Inspectie
Verzoeke bij correspondentie kenmerk en onderwerp te vermelden,
Correspondentieadres : Postbus 9032 - 6800 EP Arnhem,
Bezoekadres : Groningensingel 1 - 6835 EA Arnhem,
Telefoonnummer : 085 - 242 955,
Telefaxnummer : 085 - 242 500.
__________________________________________________________________________________
Staatstoezicht
op de Volksgezondheid
Inspectie van de volksgezondheid
voor de hygiëne van het milieu voor Gelderland
Pels Rijckenstraat 1
Correspondentie: Postbus 9013, 6800 DR Arnhem
Telefoon (085) 52 88 80, fax 085-52 82 56
Aan
M.H. van Steyn
Dorpsstraat 8
4152 EP RHENOY
Uw kenmerk Uw brief van Kenmerk Datum
030394005 / lo / lk 03-03-1994
Onderwerp
Klacht
Naar aanleiding van uw schriftelijke klacht omtrent de handhaving van de milieuvergunning bij het bedrijf "Autosloperij Rhenoy B.V." deel ik u het volgende mede.
Zoals de heer Schoonus u de afwikkeling van schriftelijke klachten door mijn dienst geschetst heeft
is juist.
Alle handhavende instanties die met deze inrichting te maken hebben geven direct of indirect aan dat er onvoldoende redenen zijn om uw klachten te kunnen staven.
Ik geloof niet in de komplottheorie en ben van mening dat de door u geuite klacht niet juist is.
Ik breng uw klacht dan ook niet in procedure en heb hem terzijde gelegd.
De plv. regionaal inspecteur van de volksgezondheid
voor de milieuhygiëne,
Drs. A.J. Stortenbeek
__________________________________________________________________________________
Rectificatie
GELDERMALSEN - In het artikel over de
Autosloperij Rhenoy BV heeft onze Haagse
verslaggever een aantal zaken niet goed
weergegeven.
Uitspraken als zouden er illegale praktijken
plaatsvinden, er met veel herrie auto's worden
geplet, etc. door mr. B. Kolle, woordvoerder van
de provincie zijn onjuist. Bij de provincie staat het
Autobedrijf bekend als één van de beter
geoutilleerde en georganiseerde auto-en ontman-
tellingsbedrijven in Gelderland.
Het bedrijf is, in tegenstelling tot de indruk die is
gewekt, een onderneming die als één van de eerste
werd gecertificeerd door SGS met een score van
96%, is lid van de ARN en onder meer als eerste
bedrijf in Nederland ISO 9002 gecertificeerd.
Staatsraad mr. J. Bakker wil wél met degelijke
rapporten duidelijkheid hebben over het feit dat
Autosloperij Rhenoy BV geen regels heeft
overtreden, alvorens hij uitspraak doet over
enkele maanden.
_______________________________________________________________________________
Ministry of Housing,
Spatial Planning and the Environment
Directoraat-Generaal Milieubeheer
lnspectie Milieuhygiëne
Strategie, Planning en Control
Mevrouw P. van Steijn-Van lperen
Dorpstraat 8
4152 EP RHENOY
Your ref. Your letter of Our ref. Date
10 april 1998 HIMH/SP&C/ED/pl
Subject 010798002L
Klacht autosloperij
Geachte mevrouw Van Steijn,
In uw brief van 10 april j.1. verzoekt u mij om een gesprek in verband met de door
U genoemde overlast van het naast uw woning gelegen autodemontagebedrijf
Rhenoy B.V.. Ik merk dat u at lang met uw klachten rondloopt. Daarom heb ik de Inspectie Milieuhygiëne Oost gevraagd na te gaan wat er aan de hand is. Op grond van de informatie die ik heb gekregen, heb ik besloten uw verzoek niet in te willigen. Mij blijkt dat er in de afgelopen jaren veel aandacht aan uw klachten is besteed.
Eind jaren tachtig heeft u bijvoorbeeld reeds verschillende instanties en organisaties
ingeschakeld de activiteiten van het bedrijf Rhenoy B.V. te beëindigen. In 1989 heeft in dit verband de toenmalige Minister van VROM, dhr. Drs. E.H.T.M. Nijpels, u bij brief van 28 maart 1989 (kenmerk DGM/A/0939505) al geschreven geen aanleiding te zien tot sanering van het bedrijf.
Sindsdien heeft u nog talloze klachten gestuurd naar andere instanties zoals de gemeente, de plaatselijke politie en aan de provincie Gelderland als bevoegd gezag.
Regelmatige controles door deze instanties hebben geen noemenswaardige overtredingen van milieuvoorschriften van de vergunning Afvalstoffenwet van Rhenoy B.V. aan het licht gebracht.
In 1993 heeft u een brief gestuurd aan de Regionale Inspectie Milieuhygiëne Gelderland (nu Inspectie Milieuhygiëne Oost) met een klacht over het bedrijf. Ook deze dienst heeft u op 3 april 1994 schriftelijk weer op de hoogte gesteld van het feit dat er onvoldoende redenen waren om uw klachten te kunnen staven. In de jaren 1997 en 1998 heeft u enkele keren de Dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland als bevoegd gezag ingevolge de Wet milieubeheer voor dergelijke bedrijven, verzocht om tegen het bedrijf op te treden.
De provincie heeft naar de mening van de Inspectie Milieuhygiëne elke keer zorgvuldig
nagegaan of er sprake was van overtredingen van de vergunningvoorschriften. De
algemene conclusie was telkens dat er voor het bevoegd gezag geen aanleiding was om handhavend op te treden.
Blijkbaar is de situatie zo dat het bedrijf geen milieuwetten overtreedt, maar dat u wel overlast ervan ondervindt.
Hoe vervelend die situatie ook voor u is, ik kan daar niets voor u aan doen. Ik hoop dat u met het bedrijf zelf in contact kunt.komen om afspraken te maken over de door u ervaren overlast.
Hoogachtend,
De Minister van Volkshuisvesting,
Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
Enclosures:
When replying, please state subject, date and reference number of this letter.
Kenmerk
HIMH/SP&C/ED/pl
010798002L
|