Vergunning voor onbepaalde tijd
Gedeputeerde Staten provincie Gelderland
Bezoekadres Postadres
Huis der Provincie Posbus 9090
Markt 11 6800 GX Arnhem
Arnhem
telefoon (026) 359 91 11
telefax (026) 359 94 80
e-mail post@gelderland.nl
internet www.gelderland.nl
Mevrouw P. van Steijn-van Iperen
Dorpsstraat 8
4152 EP RHENOY
datum nummer
9 december 2003 MW01.1 3151
onderwerp
Aanvraag om vergunning ingevolge de Wet milieubeheer
Geachte mevrouw Van Steijn,
U hebt bedenkingen ingebracht tegen de ontwerpbeschikking op de aanvraag om vergunning ingevolge
de Wet milieubeheer van Rhenoy Autodemontage B.V. voor een inrichting, gelegen aan de
Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy.
Hierbij ontvangt u een exemplaar van de beschikking op deze aanvraag en van de kennisgeving
daaromtrent.
In de kennisgeving is aangegeven wanneer en hoe u beroep kunt aantekenen en een verzoek om
voorlopige voorziening kunt indienen.
Hoogachtend,
namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
H 206-1
P.M.G.M. Riswijk
dienst Milieu en Water
senior cluster Vergunningen
bijlagen
coll. -1
code: AFV_IND_14459/ME
inlichtingen bij dhr. R.J. Baars doorkiesnr. (026) 359 87 12
e-mail r.baars@prv.gelderland.nl
verzonden
2 4 DEC.2003
BTW nr. NLO01825100.BO3
Postbank-girorekening 869762
ABN+AMRO Arnhem, rek. nr. 53.50.26.463
BNG 's-Gravenhage, rek. nr. 28.5
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
WET MILIEUBEHEER/ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Gedeputeerde Staten van Gelderland maken bekend dat zij de beschikking hebben vastgesteld op de aanvraag om vergunning van Rhenoy Autodemontage B.V.
Het gaat hier om een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor het veranderen van een inrichting die bestemd is voor het bewaren, bewerken en verwerken van autowrakken en handel in auto's en het verrichten van reparatiewerkzaamheden aan auto's.
De inrichting is gelegen aan de Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy.
De beschikking houdt in dat de gevraagde vergunning wordt verleend onder voorschriften en beperkingen. De beschikking is gewijzigd vastgesteld ten opzichte van de ontwerpbeschikking.
Inzage
De beschikking en alle overige stukken liggen ter inzage van 9 januari 2004 tot en met 20 februari 2004.
Bij de gemeente Geldermalsen:
bezoekadres: Kuipershof 2 te Geldermalsen;
tijden: opwerkdagen van 8.30 tot 12.30 uur en op dinsdag van 13.30 tot 17.00 uur;
tevens na telefonische afspraak (tel. (0345) 58 66 11).
Bij de provincie Gelderland:
bezoekadres: bibliotheek in het Huis der Provincie, Markt 11 te Arnhem;
tijden: op werkdagen van 8.30 tot 16.30 uur.
Voor een mondelinge toelichting omtrent de beschikking ingevolge de Wet milieubeheer of voor het maken van een afspraak voor inzage buiten kantooruren kunt u contact opnemen met de heer R. Baars (tel. (026) 359 87 12) van de dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland.
Beroep
Tegen de beschikking kan tot het einde van de tervisieleggingstermijn beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Wie beroep instelt, kan bij de voorzitter van die Afdeling ingevolge artikel 36 van de Wet op de Raad van State ook een verzoek om een voorlopige voorziening indienen. Voor het aanhangig maken van een geschil (indiening beroepschrift) en voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening dienen op uitnodiging van de Afdeling griffierechten te worden voldaan. Het adres van de Afdeling bestuursrechtspraak is: Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Over het tarief en de wijze van betaling van het griffierecht kunt u informatie krijgen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tel. (070) 426 44 26.
Beroep kan alleen worden ingesteld door degenen die ook tegen de ontwerpbeschikking bedenkingen hebben ingebracht, en overigens door anderen, voorzover zij beroep instellen tegen de beschikking op punten waar deze afwijkt van de ontwerpbeschikking.
Voorts kunnen degenen beroep instellen die kunnen aantonen dat zij niet in staat zijn geweest bedenkingen in te brengen tegen de ontwerpbeschikking.
De beschikking treedt in werking na afloop van de beroepstermijn, tenzij gedurende die termijn om een voorlopige voorziening is verzocht. In dat geval zal eerst op dat verzoek worden beslist.
Arnhem, 9 december 2003 - nr. MW01. 13151
Gedeputeerde Staten van Gelderland
J. Kamminga - Commissaris van de Koningin
H. M. D. Brouwer - secretaris
coll. -/
code: 14459/ME
2
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
BESCHIKKING D.D. 9 DECEMBER2003- NR.MW01.13151 VAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND
Wet milieubeheer/Algemene wet bestuursrecht
1 AANVRAAG
1.1 Algemeen
Op 2 juli 2002 hebben wij een aanvraag ontvangen van Rhenoy Autodemontage B.V. te Rhenoy (gemeente Geldermalsen) om een vergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer voor het veranderen en het in werking hebben na die verandering van de gehele inrichting.
Gezien het feit dat de geldigheidsduur van de meest recente Wet-milieubeheervergunning op 26 januari 2003 is verlopen, wordt de aanvraag van 2 juli 2002 door ons aangemerkt als een aanvraag voor het oprichten van een inrichting op grond van artikel 8.1 Wet milieubeheer.
Het betreft een inrichting voor:
- het opslaan van vijf of meer (droge) autowrakken;
- het opslaan van (natte) autowrakken zijnde gevaarlijke afvalstoffen;
- het bewerken, verwerken of vernietigen - anders dan verbranden - van buiten de
inrichting afkomstige (natte) autowrakken zijnde gevaarlijke afvalstoffen;
- het bewerken, verwerken of vernietigen van (droge) autowrakken;
- het onderhouden, repareren, verhandelen van motorvoeduigen.
Het betreft eveneens een inrichting waar:
- een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een vermogen of een gezamenlijk vermogen groter dan 1,5 kW, met dien verstande, dat bij de berekening van het gezamenlijk vermogen een elektromotor met een vermogen van 0,25 kW of minder buiten beschouwing blijft.
De activiteiten van de inrichting bestaan uit:
- de opslag en demontage van autowrakken;
- de reparatie van auto's;
- de handel in auto's en onderdelen van auto's.
Daarmee valt de inrichting onder categorie:
- 28.4, sub a, onder 4;
- 28.4, sub a, onder 5;
- 28.4, sub c, onder 2-1
- 28.4, sub d;
- 13.1, sub a, onder 3;
- 1.1, sub a,
genoemd in bijlage 1 van het lnrichtingen-en vergunningenbesluit milieubeheer (ivb). Op grond daarvan zijn wij het bevoegd bestuursorgaan voor het beslissen op de vergunningaanvraag.
De aanvraag betreft de inrichting, gelegen aan de Dorpsstraat 2 en 10, kadastraal bekend gemeente Beesd, sectie L6, nummers 694, 696 en 697. Het terrein is gevestigd op een industrieterrein en heeft de bestemming industrie.
Wij hebben de aanvraag ingeschreven onder nummer MW01.1 3151.
1.2 Vergunde situatie
Aanvrager is in het bezit van de navolgende vergunningen:
vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo) verleend door het zuiveringsschap Rivierenland (heden waterschap Rivierenland) op 18 februari 1994 met kenmerk 94.0252.
De aanvraag is van toepassing op de locatie Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy. Omdat er tussen beide locaties functionele, organisatorische, juridische en technische bindingen bestaan wordt de inrichting ook voor deze milieuvergunning aangemerkt als één inrichting.
Eerder, op 26 januari 1993, was voor de inrichting een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet verleend. De geldigheidsduur van die vergunning is met ingang van 26 januari 2003 vervallen. In het kader van een procedure om te komen tot intrekking van die vergunning heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 17 september 2003 het tegen de weigering van dat verzoek gerichte beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het in die procedure tot stand gekomen advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 14 juli 2003 is in de onderhavige beslissing betrokken.
1.3 Beschrijving van de aangevraagde activiteiten
Rhenoy Autodemontage B.V. (hierna: Rhenoy) is aangesloten bij Auto Recycling Nederland (ARN). Er is bij Rhenoy een viertal hoofdprocessen te onderscheiden, namelijk inkoop, demontage, opslag en verkoop. Blijkens de aanvraag gaat het om maximaal 600 autowrakken per jaar. In deze vergunning zal van dat aantal worden uitgegaan. In het navolgende wordt per processtap van de bedrijfsvoering een korte omschrijving weergegeven.
Inkoop
De inkoop bestaat uit de inkoop van schadeauto's, sloopauto's en bepaalde nieuwe en gebruikte onderdelen. De inkoop van auto's gaat - indien van toepassing - gepaard met de voorgeschreven handelingen voor wat betreft de afgifte van vrijwaringsbewijzen, BTW-verklaringen, sloopverklaringen en vernietiging en registratie van de kentekenplaten. Alle gegevens van de ingekochte wagens alsmede de herkomst hiervan worden geregistreerd in een digitaal informatiesysteem en de desbetreffende wagens worden voorzien van een nummer.
Demontage
Alle te slopen auto's worden gedemonteerd conform de geldende richtlijnen en volgens de procedures die gelden volgens ARN. Na demontage van auto's worden gedemonteerde onderdelen onderworpen aan een controle en beoordeeld of hergebruik mogelijk is. Alle niet herbruikbare materialen worden apart opgeslagen en afgevoerd.
Opslag
De her te gebruiken onderdelen worden voorzien van een eenduidige codering en in het magazijn opgeslagen. Er wordt voor de opslag van onderdelen gebruikgemaakt van een digitaal voorraadadministratieprogramma. Het magazijn is zodanig opgezet dat alle onderdelen zo worden opgeslagen dat kwaliteitsverlies en/of beschadiging wordt voorkomen.
Verkoop
Auto's en onderdelen daarvan worden rechtstreeks verkocht aan derden. De onderdelen worden vervolgens gebruikt voor het herstellen van schadeauto's en auto's waarvan defect geraakte onderdelen moeten worden vervangen.
Bij de aanvraag is een schematische weergave van de binnen het bedrijf uitgevoerde activiteiten toegevoegd.
De inrichtinghouder is blijkens de aanvraag voornemens de inrichting binnen de aangegeven inrichtingsgrenzen uit te breiden met een onderdelenopslaghal, een demontagehal en een kantoor met personeelsruimte. Deze uitbreidingen zijn op de plattegrondtekening aangegeven.
2 DE PROCEDURE
Met betrekking tot deze vergunningaanvraag is de in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de hoofdstukken 8 en 13 van de Wet milieubeheer voorgeschreven procedure gevolgd.
De aanvraag is toegezonden aan de bij of krachtens de Wet milieubeheer aangewezen adviseurs en de andere betrokken overheidsorganen. Hierop is geen reactie ontvangen.
Bij de door ons op 2 juli 2002 ontvangen aanvraag ontbraken het bodemonderzoeksrapport en het akoestisch onderzoeksrapport. Op 28 augustus 2002 is de aanvrager telefonisch verzocht deze rapporten alsnog bij te voegen.
De gevraagde rapporten zijn vervolgens door ons ontvangen op 17 september 2002 (bodemonderzoek) respectievelijk 20 september 2002 (akoestisch onderzoek).
Op 20 november 2002 hebben wij om aanvullende gegevens verzocht, onder andere omdat de plattegrondtekening onvolledig was, omdat het indrukken van daken niet is gemodelleerd in het geluidsonderzoek en omdat het geluidsonderzoek ook op andere punten onvolledig was. Hierop heeft Rhenoy gereageerd bij ongedateerde brief, door ons ontvangen op 27 november 2002. In die brief geeft Rhenoy aan dat de aanvraag niet ziet op het indrukken van daken. Voorts was een aangepast geluidsonderzoeksrapport bijgevoegd.
Op 15 januari 2003 hebben wij een brief ontvangen van Rhenoy met aanvullende informatie voor wat betreft de akoestische situatie.
Alle bovenstaande gegevens die in aanvulling op de aanvraag zijn ingediend, zijn gezonden aan de wettelijke adviseurs en betrokken overheidsorganen.
De aanvraag, met inbegrip van de aanvullende informatie, voldoet aan de vereisten die zijn gesteld bij of krachtens de Wet milieubeheer, waaronder hoofdstuk 5 van het lvb. Gelet op het voorgaande hebben wij de aanvraag in behandeling genomen.
De ontwerpbeschikking is vastgesteld op 31 januari 2003. De aanvraag en de daarop betrekking hebbende stukken hebben van 21 februari tot en met 21 maart 2003 ter inzage gelegen met de mogelijkheid hiertegen tot en met 22 maart 2003 bedenkingen in te dienen. Van de ontwerpbeschikking is mededeling gedaan in de Staatscourant en in het Nieuwsblad Geldermalsen van 20 februari 2003.
Tegen de ontwerpbeschikking hebben de in hoofdstuk 3 hierna genoemde personen schriftelijke bedenkingen ingediend. Er is niet verzocht om een gedachtenwisseling naar aanleiding van de ontwerpbeschikking.
Naar aanleiding van de bedenkingen hebben wij Rhenoy verzocht om de huidige bedrijfssituatie akoestisch te onderzoeken. Rhenoy heeft op 7 augustus 2003 de gevraagde informatie overgelegd.
3 SAMENVATTING VAN DE INGEBRACHTE BEDENKINGEN
Tegen de ontwerpbeschikking hebben de volgende personen schriftelijke bedenkingen ingediend:
1. N.W.A. Middelkoop, Dorpsstraat 4 te Rhenoy, bij brief van 07 maart 2003;
2. L. van Driel en C.C. Barentsen, Dorpsstraat 2 b te Rhenoy, bij brief van 15 maart 2003;
3. C.J. van Mechelen en H.J.C. van Mechelen-Salari, Lingedijk 30 te Rhenoy, bij brief
van 1 5 maart 2003;
4. I. ten Tuynte, Dorpsstraat 1 te Rhenoy, bij email van 21 maart 2003 om 21.20 uur;
5. P. van Steijn-van lperen, Dorpsstraat 8 te Rhenoy, bij fax van 18 maart 2003;
Hun bedenkingen kunnen - samengevat - als volgt worden weergegeven.
Ad 1
N.W.A. Middelkoop
a. De indiener vraagt wat de nieuwe vergunning betekent ten aanzien van het geluidsniveau.
b. De indiener leest niets over verkeer. Hij vraagt of de intensiteit van twee vrachtauto's per
dag in de dagperiode ook betekent dat er 's avonds of 's nachts transporten zullen
plaatsvinden. Hij vraagt om een onderbouwing hiervan.
c. De indiener vraagt om hoeveel verkeersbewegingen het gaat bij de afvoer van de circa
300 ton restanten van de wrakken.
d. De indiener vraagt naar de verklaring voor 1750 accu's en 5000 autobanden, afgezet
tegen de 600 aangevraagde auto's.
e. De indiener vraagt waarom een loods moet worden gebouwd als men volgens een brief in
het dossier van plan is te zijner tijd de activiteiten te verplaatsen naar Waardenburg.
f . Volgens de indiener is de verkeersintensiteit nu al fors en is een aantal van twee
vrachtauto's per dag niet reëel. Dat geldt voor alle drie de bedrijven. De overlast daarvan
is nu al onaanvaardbaar.
g. De indiener voert aan dat het bedrijfsverkeer van de verschillende bedrijven onderling voor
overlast zorgt. De hoge snelheid waarmee men over de Dorpsstraat pleegt te rijden is
onaanvaardbaar.
h. Sinds enige tijd is al het groen achter de schutting verwijderd, zodat de opgestapelde
wrakken goed zichtbaar zijn. De indiener vraagt zich af of hiervoor een kapvergunning was
vereist.
i. De indiener vraagt hoe Rhenoy zal omgaan met de restricties die in een nieuwe
vergunning zullen worden opgenomen, welke sancties daarop staan en op welke termijn
die sancties zullen worden uitgevoerd.
j. De indiener vraagt om snelheidsbeperkende maatregelen op de Dorpsstraat.
k. De indiener vraagt erop toe te zien dat overnachtingen in auto's op het terrein buiten de
hekken van de locatie aan de Dorpsstraat 2 worden voorkomen.
Ad 2
L. van Driel en C.C. Barentsen
a. De indieners geven aan dat zij het niet vinden passen dat een sloperij zich in een klein
dorp kan handhaven.
b. De aanwezigheid van Rhenoy betekent volgens hen een aantasting van het dorpsgezicht.
c. De indieners geven aan dat sprake is van ernstige geluidshinder en dat de inrichting zwaar
verkeer aantast waarop de straten niet berekend zijn.
d. De indieners verwachten van de lokale en provinciale overheid een beleid dat is gericht op
herstel van het landelijk karakter.
Het verlenen van de vergunning is ongewenst. De indieners verwachten een plan of
ondersteuning van een plan om te komen tot verwijdering van de inrichting.
e. De inrichting maakt volgens de indieners verspreiding van verontreinigende stoffen
mogelijk via het grondwater.
Ad 3
C. J. van Mechelen en H.J.C. van Mechelen-Salari
a. Volgens de indieners zal de gevraagde uitbreiding van de sloperij een aanslag betekenen
op de veiligheid, als gevolg van de toename van zwaar verkeer. Het aantal vrachtauto's
van twee wordt nu al overschreden.
b. De aanleg van een weg rond het terrein zal leiden tot geluidsoverlast.
c. De indieners noemen visuele hinder.
d. Het ontgassen van lpg-tanks en de opslag van gevaarlijke stoffen zien de indieners als
een gevaar.
e. Volgens de indieners zou moeten worden gewerkt aan verplaatsing van het bedrijf naar
een industrieterrein.
Ad 4
I. ten Tuynte
Gezien hetgeen hierna, in hoofdstuk 4, zal worden overwogen, laten wij het geven van een samenvatting van de bedenkingen van de heer I.ten Tuynte hier achterwege.
Ad 5
P. van Steijn-van lperen
a. De indiener vraagt of de reden voor het aanvragen en verlenen van een
oprichtingsvergunning uitsluitend is gelegen in de afloop van de geldigheidsduur van de
oorspronkelijke vergunning.
b. De indiener vraagt of de brief waaruit blijkt dat het bedrijf voor een locatie elders eenzelfde
vergunning heeft aangevraagd van invloed is geweest op de behandeling en beoordeling
van de aanvraag. In dat verband vraagt de indiener hoe serieus het voornemen tot
verplaatsing is, op welke termijn daarvan sprake is en welke voorwaarden daartoe moeten
worden vervuld.
c. De indiener vraagt of er uit een oogpunt van milieuzorg en bescherming van belangen van
derden sprake is van voorkeur voor een stelsel zonder of een stelsel met nieuwbouw van
loodsen. In dat verband vraagt de indiener of niet zou moeten worden
gekozen voor de meest effectieve en toereikende oplossing, nu het bedrijf beide opties
uitvoerbaar acht.
d. De indiener vraagt of uit Richtlijn 2000153/EG en het Bba volgt dat alle
autodemontageactiviteiten binnen en overkapt plaats moeten hebben en niet meer buiten.
De indiener gaat ervan uit dat genoemde richtlijn zal leiden tot aanscherping van
voorschrift B2.
e. Volgens de indiener wordt geen toereikende en effectieve maatregel getroffen voor de
geluidsbelasting door de vrachtwagen, waardoor overschrijding van de norm plaatsvindt.
Bronbelasting is volgens de indiener kennelijk niet toereikend, maar niet duidelijk is welke
andere geluidwerende maatregelen mogelijk zijn en overwogen zijn. De indiener stelt dat
wanneer geen toereikende maatregel kan worden opgenomen in de voorschriften, dat in
beginsel en behoudens uitzonderingen behoort te leiden tot het weigeren van de
vergunning.
f. De indiener vraagt op welke wijze het voorterrein van het bedrijf (gelegen aan de
Dorpsstraat) in de aanvraag is betrokken.
g. De indiener verzoekt om aanpassing van de voorschriften, zodanig dat wordt bereikt dat in
het roodomlijnde gebied geen enkele geraasmakende activiteit plaatsvindt, ook niet het
rijden met lawaaimakende voertuigen.
4 REACTIE OP DE BEDENKINGEN
Met betrekking tot de bedenkingen die N.W.A. Middelkoop heeft ingediend, merken wij het volgende op.
Ad 1a
ln de vergunning die expireerde op 26 januari 2003 was een gemiddeld geluidsniveau in de dagperiode van 45 dB(A) vergund. In de nieuwe aanvraag wordt het gemiddelde geluidsniveau in de dagperiode gereduceerd tot de streefwaarde van 40 dB(A). Het piekgeluidsniveau blijft op 65 dB(A) vergund in de dagperiode.
De teruggang in de geluidsbelasting wordt bestendigd door het bouwen van een nieuwe hal en door het doorvoeren van aanpassingen in de demontagewerkzaamheden. Conform de aanvraag worden demontagewerkzaamheden aan autowrakken die bodembelastende vloeistoffen bevatten inpandig uitgevoerd. Ook andere activiteiten, zoals snijbranden, gebruik van de wielmoersleutel en hakken zullen niet meer buiten plaatsvinden.
Daarnaast wordt door verplaatsing en het aan de binnenzijde van de metaalcontainer aanbrengen van een rubber laag een reductie van het geluidsniveau gerealiseerd. Het indrukken van daken is niet aangevraagd en wordt derhalve niet vergund.
De aanvraag heeft geen betrekking op activiteiten in de avond- of nachtperiode. Dat betekent dat tussen 19.00 uur en 7.00 uur geen geluid binnen de inrichting mag geproduceerd worden.
Ad 1b
Omdat geen transportbewegingen in de avond- of nachtperiode zijn aangevraagd, kunnen dergelijke bewegingen niet worden vergund. Dat betekent dat transportbewegingen in de avond- of nachtperiode niet zijn toegestaan.
Ad 1c
Conform het geluidsrapport vinden er 22 vervoerbewegingen per dag plaats vanaf de locatie Dorpsstraat 10, waarvan twee door zware of middelzware vrachtwagens en maximaal twintig door personenauto's. Vanaf de locatie Dorpsstraat 2 zijn twee vervoerbewegingen per dag door een zware of middelzware vrachtwagen te verwachten.
Afvoer van de diverse afvalstoffen vindt plaats met behulp van containers, zoals blijkt uit de plattegrond M-01 d.d. 25 november 2002. De aanvoer van gemiddeld zes wrakken per vrachtwagenbeweging enerzijds en de afvoer van 24 wrakken per vrachtwagenbeweging anderzijds resulteert in 125 bewegingen per jaar. Er blijven zodoende minimaal 275 bewegingen over om 300 ton andere afvalstoffen af te voeren met behulp van vrachtwagens en een veelvoud aan personenauto's). Hiermee is volgens ons aannemelijk dat met een beperkte hoeveelheid vrachtwagenbewegingen het restant aan afvalstoffen kan worden afgevoerd.
Ad 1d
De indiener wijst er terecht op dat de aanvraag beperkt is tot een maximum van 600 te verwerken autowrakken per jaar. Wij hebben dat maximum op basis hiervan vastgelegd in het besluit hieronder, alsmede in de voorschriften.
De autowrakken bevatten in veel gevallen meerdere accu's en banden. Er is geen reden om de aangevraagde opslag van die accu's en banden niet te vergunnen. De voorschriften zijn opgesteld met het oog op een milieuhygiënisch verantwoorde opslag. Bovendien is de opslagduur van niet herbruikbare accu's en banden beperkt tot een jaar.
Ad 1e
Rhenoy heeft naar eigen inzichten een aanvraag om een milieuvergunning ingediend. De bedrijfseconomische of andere achtergronden die een rol hebben gespeeld bij de beslissing om nieuwe loodsen te bouwen, waaronder het mogelijke voornemen het bedrijf te verplaatsen spelen bij de beoordeling krachtens de Wet milieubeheer geen rol.
Ad 1f
De aanvraag beoogt blijkens het bij de aanvraag gevoegde geluidsrapport vier vrachtwagenbewegingen per dag toe te staan. Deze frequentie van aan- en afvoer is van dien aard dat wij hiervan geen onaanvaardbare hinder verwachten. Ten behoeve van de controle op de naleving daarvan is voorschrift E.1 opgenomen, waarin is aangegeven dat Rhenoy de inrichting conform de aanvraag in werking dient te hebben. Wij zullen toezien op naleving van dat voorschrift.
Ad 1g en ad 1j
De geluidsbelasting van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting dient separaat te
worden beoordeeld overeenkomstig de circulaire van VROM en voldoet bij de maatgevende
woning van derden ruimschoots aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). (Bron: Rapport
geluidsbelasting omgeving autosloperij Rhenoy B.V. te Rhenoy d.d. 25 november 2002.)
In een vergunning op grond van de Wet milieubeheer kunnen geen voorschriften worden opgenomen ter bescherming van wegen en de snelheid waarmee daarom gereden wordt buiten de inrichting. Voorzover ter plaatse buiten de inrichting onveilige verkeerssituaties (bijvoorbeeld als gevolg van te hoge rijsnelheden) ontstaan, dienen deze door de wegbeheerder (in dit geval de gemeente) te worden opgelost.
Ad 1h
Ten einde visuele hinder te beperken,zijn voorschriften G.2 en G.3a aan de vergunning verbonden. Op grond van voorschrift G.2 is de maximale stapelhoogte 4,5 meter op een daartoe aangewezen gedeelte van de inrichting. Daarnaast geldt op grond van voorschrift G.3 dat de inrichting zodanig moet zijn afgeschermd dat autowrakken, onderdelen daarvan en metaalafvallen niet vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats buiten de inrichting zichtbaar mogen zijn.
De beoordeling of voor het verwijderen van de groenstrook een kapvergunning vereist is, valt buiten de provinciale bevoegdheid. Wel zullen wij toezien op de naleving van de voorschriften, waaronder voorschriften G.2 en G.3.
Ad 1i
Wij merken op dat deze bedenking niet is gericht tegen de ontwerpbeschikking. Ten overvloede delen wij mede dat op overtreding van voorschriften in een milieuvergunning ten algemene kan worden gereageerd door middel van het treffen van bestuursrechtelijke sancties (dwangsom dan wel bestuursdwang). In voorkomende gevallen zullen wij daartoe overgaan. Overigens hebben wij geen aanleiding te veronderstellen dat Rhenoy niet zal voldoen aan de vergunningvoorschriften.
Ad 1k
De aanvraag heeft blijkens de daarbijbehorende tekening mede betrekking op een bestraat deel aan de voorzijde van de locatie aan de Dorpsstraat 2. Dat deel bestaat uit betonplaten en dient om vrachtwagens toegang tot het terrein te bieden.
De bedenkingen zijn gericht op het overnachten van derden in geparkeerde auto's. Wij hebben in het kader van deze vergunning evenwel geen middelen om hiertegen op te treden. Wij verwijzen de indiener derhalve naar de bevoegde autoriteit, zijnde de gemeente. Ten slotte merken wij op dat het betreffende terreindeel niet worden afgesloten, in verband met de ligging direct aan de openbare weg.
Met betrekking tot de bedenkingen die L. van Driel en C.C. Barentsen hebben ingediend, merken wij het volgende op.
Ad 2a en 2b en 2d
De landschappelijke inpassing van een inrichting in de omgeving vergt een planologische beoordeling, die valt buiten onze bevoegdheden op grond van de Wet milieubeheer. Overigens gaat het hier om een al jaren bestaande inrichting. De bedenkingen zijn in zoverre derhalve niet gericht tegen de ontwerpbeschikking. Ook de wens te komen tot een plan voor verplaatsing valt buiten het kader van de Wet milieubeheer.
Alleen wanneer een inrichting - ook bij het stellen van beperkende voorschriften - onaanvaardbaar zou zijn met het oog op de bescherming van de belangen van het milieu, zou dat kunnen leiden tot beëindiging van dat bedrijf. Voor alle duidelijkheid merken wij op dat de aanwezigheid van Rhenoy niet milieuhygiënisch onaanvaardbaar is. Dat betekent dat wij op deze bedenking niet verder ingaan.
Ten overvloede stellen wij vast dat het terrein aan de Dorpsstraat 2 en 1 0 te Rhenoy de bestemming "bedrijfsterrein" heeft. Een autodemontagebedrijf past binnen die bestemming. Vanuit planologisch opzicht bestaat naar onze inschattingen geen noodzaak tot verplaatsing.
Ad 2c
In de vergunning die expireerde op 26 januari 2003 was een gemiddeld geluidsniveau in de dagperiode van 45 dB(A) vergund. In de nieuwe aanvraag wordt het gemiddelde geluidsniveau in de dagperiode gereduceerd tot de streefwaarde van 40 dB(A). Het piekgeluidsniveau blijft op 65 dB(A) vergund in de dagperiode.
Het toestaan van deze waarden leidt niet tot strijd met het belang van de bescherming van het milieu. Er is geen sprake van onaanvaardbare hinder. Wij verwijzen kortheidshalve naar het gestelde in paragraaf 5.3.
Met betrekking tot de schade die aan-en afrijdende vrachtwagens aan het wegdek toebrengen merken wij op dat dit niet in het kader van de onderhavige vergunning in de beoordeling betrokken mag worden, nu dit geen aspect is dat is terug te voeren op het belang van de bescherming van het milieu. Het is aan de wegbeheerder om maatregelen te treffen ingeval van schade aan het wegdek.
Ad 2e
De voorschriften uit hoofdstuk A (Bodem) verzekeren dat geen onaanvaardbare milieuschade zal optreden als gevolg van verspreiding van verontreinigende stoffen. Zowel de verplichte aanwezigheid van vloeistofdichte vloeren onder de bodembedreigende activiteiten als het monitoren van de verontreinigende stoffen geven voldoende borging ter bescherming van het milieu.
Met betrekking tot de bedenkingen van C.J. van Mechelen en H.J.C. van Mechelen-Salari merken wij het volgende op.
Ad 3a
Voor een reactie op deze bedenking verwijzen wij vooreerst naar onze reactie ad 1c hierboven. Voorts merken wij het volgende op.
De geluidsbelasting van de verkeersaantrekkende werking van de inrichting dient separaat te worden beoordeeld overeenkomstig de circulaire van VROM en voldoet bij de maatgevende woning van derden ruimschoots aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A). (Bron: geluidsbelasting omgeving autosloperij Rhenoy B.V. te Rhenoy d.d. 25 november 2002.)
In een vergunning op grond van de Wet milieubeheer kunnen geen voorschriften worden opgenomen ter bescherming van wegen en de snelheid waarmee daarom gereden wordt buiten de inrichting. Voorzover ter plaatse buiten de inrichting onveilige verkeerssituaties (bijvoorbeeld als gevolg van te hoge rijsnelheden) ontstaan, dienen deze door de wegbeheerder te worden opgelost.
Ad 3b
Het akoestisch rapport beschrijft de aangevraagde activiteiten. De activiteiten met betrekking tot de weg zijn niet aangevraagd en mitsdien niet vergund.
Ad 3c
Voor een reactie op deze bedenking verwijzen wij naar onze reactie ad 1 h hierboven.
Ad 3d
Het ontgassen van lpg-tanks is geen aangevraagde activiteit. De gedemonteerde lpg-tanks moeten worden afgevoerd naar een voor het ontgassen gekwalificeerd bedrijf (zie bijlage Ondernemingen die zijn ingericht voor het ontgassen van lpg-tanks).
De opslag van gevaarlijke stoffen, zoals afgewerkte olie, benzine en dergelijke, worden voorgeschreven overeenkomstig CPR (Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen). Wij verwijzen hiervoor naar de voorschriften A.27 en A.28.
Ad 3e
De beoordeling van het verzoek van de indieners om te komen tot verplaatsing valt buiten het kader van de Wet milieubeheer. Alleen wanneer een inrichting - ook bij het stellen van beperkende voorschriften - onaanvaardbaar zou zijn met het oog op de bescherming van de belangen van het milieu, zou dat kunnen leiden tot eventuele verplaatsing. Voor alle duidelijkheid merken wij op dat de aanwezigheid van Rhenoy niet milieuhygiënisch onaanvaardbaar is. Dat betekent dat wij op deze bedenking niet verder ingaan.
Met betrekking tot de bedenkingen die I. ten Tuynte heeft ingediend, merken wij het volgende op.
Op grond van artikel 3:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan eenieder binnen vier weken na de dag waarop het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd daartegen bij het bestuursorgaan schriftelijk bedenkingen inbrengen. Onder het inbrengen van schriftelijke bedenkingen kan niet worden verstaan het inbrengen van bedenkingen door middel van een e-mail, omdat daardoor niet aan het schriftelijkheidsvereiste kan worden voldaan.
De termijn voor het inbrengen van schriftelijke bedenkingen eindigde op (zaterdag) 22 maart 2003. De bewuste e-mail is verzonden op (vrijdag) 21 maart 2003 om 21.20 uur. Vanwege de dag en het tijdstip van het verzenden van de e-mail resteerde ons redelijkerwijs geen tijd meer om de indiener er zorgvuldigheidshalve, dan wel bij wijze van informatievoorziening, van op de hoogte te stellen dat hij niet kon volstaan met het insturen van een e-mail in het geval hij schriftelijke bedenkingen zou willen inbrengen, of hem anderszins in de gelegenheid te stellen (bijvoorbeeld door het insturen van een fax) zijn bedenkingen in te brengen.
Gezien het voorgaande laten wij deze bedenking buiten verdere behandeling.
Ter informatie voor de indiener verwijzen wij voor een reactie op de bedenkingen naar het gestelde onder 1a, 1g en 1h hierboven. Ten aanzien van de genoemde trillingshinder merken wij op dat de aanvraag voorziet in maximaal twee vrachtwagens per dag die aan- en/of afrijden. Daarvan komt er één over de toegangsweg naar de locatie Dorpsstraat 2 en een andere over de toegangsweg naar locatie Dorpsstraat 10. Wij achten de frequentie dermate laag dat het treffen van nadere voorzieningen om trillingshinder te reduceren niet nodig is.
Met betrekking tot de bedenkingen die door P. van Steijn-van lperen zijn ingediend, merken wij het volgende op.
Ad 5a
De aanvraag zag in oorsprong op een vergunning op grond van artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (revisievergunning). Toen de voor het bedrijf geldende vergunning op 26 januari 2003 kwam te vervallen, kon de gevraagde vergunning niet als revisievergunning worden verleend, omdat formeel het bedrijf niet meer beschikte over een geldige milieuvergunning. In dat geval is vereist dat een vergunning op grond van artikel 8.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet milieubeheer (oprichtingsvergunning) wordt verleend in plaats van een revisievergunning. Wij hebben vervolgens de aanvraag om een revisievergunning opgevat als een aanvraag om een oprichtingsvergunning.
Ad 5b
Hierna, onder 5c, zal worden aangegeven dat Rhenoy in de gelegenheid zal worden gesteld om het realiseren van de bebouwing en het voldoen aan de daarbij behorende geluidsnorm, niet eerder dan één jaar na het in werking treden van deze beschikking als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer zal behoeven te hebben gerealiseerd.
De grond voor die beslissing is gelegen in het kennelijke voornemen het bedrijf te verplaatsen, welk voornemen duidelijk uit de door de indiener aangehaalde brief blijkt. Wij achten het voornemen tot verplaatsing serieus, mede gezien de brief en mede gezien het feit dat Rhenoy een aanvraag om een vergunning voor een autodemontageinrichting op een locatie te Waardenburg bij ons heeft ingediend. Deze aanvraag is thans bij ons in behandeling. De ontwerpbeschikking voor die locatie is op 23 oktober 2003 gepubliceerd.
In de vergunning is echter rekening gehouden met de mogelijkheid dat Rhenoy, ondanks het gestelde in de brief, niet tot verplaatsing zal overgaan of de inrichting te Rhenoy om andere redenen zal willen voortzetten.
In dat geval zal Rhenoy na ommekomst van de termijn voor het realiseren van de bebouwing onverkort gebonden zijn aan de voorschriften die zijn opgesteld naar aanleiding van de aanvraag, dat wil zeggen waarin rekening is gehouden met het realiseren van de voorgenomen bebouwing. Die voorschriften zijn immers in overeenstemming met de aanvraag en zijn voor omwonenden de garantie dat de geluidbelasting niet zal toenemen.
Voor het overige heeft die brief geen rol gespeeld en kon ook geen rol spelen, omdat wij uit hoofde van de Wet milieubeheer enkel dienen te bezien of het verlenen van de aangevraagde vergunning zou leiden tot onaanvaardbare aantasting van het belang van de bescherming van het milieu.
Ad 5c
De aanvraag ziet toe op de situatie waarin onder meer sprake is van de nieuwbouw van een loods, waarin de geraasmakende werkzaamheden worden ondergebracht. Het gemiddelde geluidsniveau voldoet in die situatie aan de streefwaarde van 40 dB(A). Niet alleen heeft de bouw van de loods vanuit milieuhygiënisch opzicht de voorkeur met het oog op de geluidsbelasting, maar ook en vooral dienen wij te beslissen op de grondslag van de aanvraag.
In de ontwerpbeschikking was uitgegaan van een situatie waarin het aan Rhenoy was te beslissen of de loods zou worden gerealiseerd of niet. Thans heroverwegen wij, mede naar aanleiding van deze bedenking, het standpunt dat wij in de ontwerpbeschikking hebben ingenomen. Het nieuwe standpunt houdt in dat aan Rhenoy vergunning onder voorschriften wordt verleend conform de aanvraag. Dat betekent dat hij zal moeten overgaan tot het realiseren van de loods, zoals aangegeven in zijn aanvraag. De daarbij behorende geluidsnormen zijn in paragraaf 7.3 hierna weergegeven en als voorschrift bij deze vergunning opgenomen. Paragraaf 7.3 is met het oog op deze verandering ten opzichte van de ontwerpbeschikking herschreven.
Rhenoy heeft bij brief van 27 september 2002 aangegeven voornemens te zijn alle activiteiten van de locatie te Rhenoy te verplaatsen naar een locatie te Waardenburg. In het geval de verplaatsing doorgang vindt en dit gepaard gaat met beëindiging van de bedrijfsactiviteiten op de locatie te Rhenoy, komt de noodzaak aan het realiseren van de bebouwing te vervallen. Zou Rhenoy meteen bij de inwerkingtreding van de vergunning overgaan tot het oprichten van de loods, kan dit - ingeval van verplaatsing - een aanzienlijk kapitaalverlies betekenen.
Wij kunnen verder vaststellen dat Rhenoy bij de huidige werkwijze voldoet aan een gemiddeld geluidsniveau van 40 dB(A). Door de loods niet terstond na het van kracht worden van de vergunning te realiseren, worden de belangen van de omwonenden niet geschaad. Wel dient te worden vastgelegd dat Rhenoy totdat de loods is gerealiseerd blijft werken in overeenstemming met de eisen die voortvloeiden uit de eerder verleende, inmiddels verlopen vergunning. Dat houdt onder andere in dat Rhenoy binnen de rode lijn die behoort bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 mei 1995 geen voor de omgeving hinderlijke of garaasmakende activiteiten en snijbrandwerkzaamheden mogen worden uitgevoerd binnen een op de bij die uitspraak gevoegde tekening met rood omlijnd gebied. Ook zijn eisen gesteld aan het rijden met de vorkheftrucks.
Inmiddels heeft Rhenoy voor de locatie te Waardenburg een aanvraag ingediend. De ontwerpbeslissing op de aanvraag heeft in de periode van 24 oktober tot 21 november 2003 ter inzage gelegen. Wij verwachten de definitieve beslissing op die aanvraag te kunnen nemen in het vroege voorjaar van 2004. De inrichting van de nieuwe locatie zal nog een aantal maanden tijd vergen.
Gezien al het voorgaande achten wij een termijn van één jaar na het in werking treden van deze vergunning als bedoeld in artikel 20.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer voor het realiseren van de nieuwbouw redelijk.
Ad 5d
Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken, in samenhang met de bijlage bij dat artikel, geschiedt aftappen van vloeistoffen en demonteren van vloeistof bevattende onderdelen, alsmede opslag van gedemonteerde vloeistof bevattende onderdelen onder een overkapping of een gelijkwaardige voorziening die de vloeistofdichte vloer of voorziening afdoende tegen het inregenen beschermt.
Het bovenstaande is vastgelegd in voorschrift A.5, dat zodoende voldoet aan de eisen van het Bba. Aanpassing van dat voorschrift of van een ander voorschrift om aan de gestelde eisen te voldoen, is dan ook niet aangewezen.
Ad 5e
Het gemiddeld geluidsniveau van de inrichting voldoet - na ommekomst van de termijn voor realisering van de bebouwing - aan de streefwaarde van 40 dB(A). De door de indiener bedoelde overschrijding betreft het Lmax (piekniveau) als gevolg van het rijden met vrachtwagens. Dit betreft wisselende mobiele bronnen, die in de regel niet aan Rhenoy toebehoren. Wij achten het niet aangewezen en het is ook niet gebruikelijk om mobiele bronnen, zoals vrachtwagens, aan te passen teneinde een lager piekniveau te bereiken. Daarnaast betreft het maximaal twee vrachtwagens per dag.
Voor het overige verwijzen wij in reactie op deze bedenking naar paragraaf 7.3 hierna. Wij achten het weigeren van de vergunning niet aan de orde.
Ad 5f
Het voorterrein behoort tot de inrichting. De aanvraag strekt er evenwel niet toe vergunning te verlenen voor het opslaan van auto's of autowrakken ter plaatse. Dergelijke activiteiten zijn derhalve niet toegestaan. Wij zullen toezien op naleving van de vergunning. Het terrein wordt enkel gebruikt als parkeerterrein voor bezoekers en personeelsleden, die ter plaatse niet op de openbare weg kunnen parkeren.
Ad 5g
Met betrekking tot de (inmiddels vervallen) vergunning was de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van oordeel dat binnen de met een rode lijn omgeven zone geen hinderlijke en geraasmakende werkzaamheden mochten worden uitgevoerd, waaronder het rijden met een heftruck. In deze vergunning is verzekerd dat - gedurende de tijd dat Rhenoy niet is overgegaan tot het realiseren van de nieuwbouw - zich dienovereenkomstig moet gedragen bij het voeren van het bedrijf. Nadat de nieuwbouw is voltooid, zal sprake zijn van een situatie waarin vrijwel het gehele rood omlijnde gebied zal zijn ingenomen door loodsen, die bovendien een sterke geluidafschermende werking hebben ten aanzien van het adres Dorpsstraat 8.
INHOUDELIJKE AFSTEMMING MET ANDERE WETGEVING
5.1 Wet verontreinigde oppervlaktewateren (Wvo)
De inrichting is vergunningplichtig op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren. De inrichting heeft twee lozingspunten: het lozingspunt dat is gesitueerd op de locatie Dorpsstraat 2 loost huishoudelijk afvalwater en terreinwater rechtstreeks op het oppervlaktewater. De locatie Dorpsstraat 10 loost direct op de riolering. Voor beide lozingen is een vergunning op grond van de Wvo verleend. Bij beschikking van het Zuiveringsschap Rivierenland (thans: Waterschap Rivierenland) van 18 februari 1994 is in dat verband besloten de lozing op het oppervlaktewater van Dorpsstraat 2 niet te beëindigen vanwege de hoge kosten voor het maken van een aansluiting op de riolering.
Er zijn ten behoeve van voornoemde inrichting geen aanvragen gedaan tot het geven van met elkaar samenhangende beschikkingen, die ingevolge artikel 14.1, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer aanleiding geven de behandeling van die aanvragen te coördineren. In dit verband is van de zijde van het Waterschap Rivierenland op 9 januari 2003 bevestigd dat de inrichting beschikt over een geldige vergunning op grond van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en dat geen noodzaak aanwezig is voor het wijzigen van die vergunning.
5.2 Wet afvalwater
Op 1 maart 1996 is de Wet afvalwater (Stb. 1994, 798) in werking getreden. Ingevolge deze wet is bepaald dat het regime van de gemeentelijke verordeningen voor wat betreft de lozing van afvalwater op de riolering is komen te vervallen. De voorschriften en bepalingen die ingevolge de gemeentelijke verordening golden, worden nu beschouwd als onderdeel van de vergunning ingevolge de Wet milieubeheer. In de Wet afvalwater is bepaald dat lozingsvoorschriften thans aan de milieuvergunning moeten worden verbonden. In deze vergunning zijn hiertoe voorschriften opgenomen.
5.3 Woningwet
De inrichtinghouder is voornemens binnen drie jaar na verlening van deze vergunning bebouwing te realiseren in de zin van de Woningwet. Na verlening van de milieuvergunning zal een bouwvergunning worden aangevraagd. Tot het moment waarop de bouwvergunning is verleend is de Wet-milieubeheervergunning voor het betreffende bouwonderdeel nog niet van kracht.
5.4 Wet op de Ruimtelijke Ordening
De activiteiten passen in het vigerende bestemmingsplan, dat ter plaatse de bestemming 'industrie' heeft.
5.5 Besluit beheer autowrakken (Bba)
Met ingang van 21 oktober 2000 is richtlijn 2000153/EG (Richtlijn van het Europese Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 september 2000 betreffende autowrakken, PBEG L 269, hierna ook: autowrakkenrichtlijn) in werking getreden.
Deze richtlijn heeft tot doel de negatieve milieueffecten van het ontstaan en de verwerking van voertuigenafval te voorkomen of te beperken (door de hoeveelheid te verwijderen voertuigenafval te verminderen door preventie en nuttige toepassing) en door de milieuprestaties van verwerkers van voertuigenafval te verbeteren.
De autowrakkenrichtlijn is grotendeels omgezet in het Besluit beheer autowrakken (hierna: Bba). Artikel 5 van het Bba verplicht ons de in de bijlage bij dat besluit gestelde voorschriften te verbinden aan een vergunning voor een inrichting voor het bewerken, verwerken of overslaan van autowrakken. De in deze vergunning opgenomen voorschriften hebben betrekking op vloeistofdichte vloeren en voorzieningen, afvoer van bedrijfsafvalstoffen en regenwater, demontage, opslag en afvoer van bewerkte autowrakken en gedemonteerde materialen en onderdelen. Het is de bedoeling dat alle materialen en onderdelen die als product of materiaal kunnen worden hergebruikt, selectief worden gedemonteerd, gescheiden, opgeslagen en gescheiden worden afgevoerd.
In voorschrift B.2 is opgenomen welke stoffen, preparaten en andere producten van een autowrak moeten worden ontdaan. Deze lijst van materialen en onderdelen kan aan verandering onderhevig zijn. Om die reden hebben wij in voorschrift B.6 opgenomen dat wij kunnen bepalen dat af te voeren autowrakken moeten zijn ontdaan van andere materialen of onderdelen waarvoor aantoonbaar voldoende innamestructuren en verwerkingsmethoden beschikbaar zijn. Het doel van laatstvermelde voorschriften is om product- en materiaalhergebruik te bevorderen en verontreiniging van shredderafval te voorkomen.
5.6 Europese Afvalstoffenlijst (Eural)
Per 8 mei 2002 is de Regeling Europese afvalstoffenlijst (Eural) in werking getreden, die het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Baga), de Regeling aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Raga) en de Regeling aanvulling aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Raaga) vervangt. In de navolgende tabel zijn de afvalstoffen die in de inrichting worden geaccepteerd met bijbehorende code en status volgens de Eural weergegeven.
Afvalstof
|
Eural-code
|
Status
|
afgedankte voertuigen ("natte" autowrakken)
|
16.01.04*
|
gevaarlijk afval
|
afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch
andere gevaarlijke afvalstoffen bevatten ("droge"
autowrakken)
|
16.01.06
|
niet gevaarlijk
afval
|
* Naast "natte" autowrakken worden binnen de inrichting geen afvalstoffen aangevoerd, opgeslagen of be-/verwerkt die op grond van de Eural mogelijkerwijs zijn aangewezen als gevaarlijk afval in de zin van de Wm.
Voor wat betreft de begripsomschrijvingen terzake van afvalstoffen in deze beschikking sluiten wij aan bij de terminologie in de Eural. Het in werking treden van de Eural geeft geen belemmeringen voor de afgifte van deze beschikking. De regels voor het melden en registreren van de ontvangst, afgifte en het vervoer van afvalstoffen zullen een aantal wijzigingen ondergaan en worden vastgelegd in een algemene maatregel van bestuur die op een later tijdstip in werking treedt.
5.7 Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen (Bssa)
Op grond van artikel 11e van het Bssa dienen wij in de vergunningen voor opslaginrichtingen voorschriften aan de opslagduur van afvalstoffen binnen de inrichting te verbinden. Deze termijn bedraagt in principe één jaar. Uitzondering wordt gemaakt voor de opslag van afvalstoffen die na deze opslag nuttig worden toegepast. Voor de opslag van deze afvalstoffen geldt een maximale duur van drie jaar. In de vergunning zijn hiertoe voorschriften opgenomen.
6 BELEID
Op grond van artikel 8.8, tweede lid, van de Wet milieubeheer houdt het bestuursorgaan bij het nemen van een beslissing op een aanvraag in ieder geval rekening met het voor hem geldende milieubeleidsplan.
Bij besluit van 25 september 1996 hebben Provinciale Staten van Gelderland het Gelders milieuplan 1996-2003 vastgesteld. Bij besluit van 18 oktober 2000 hebben zij de werkingsduur van dat plan verlengd tot 1 november 2002. Er is nog geen nieuw Gelders milieuplan vastgesteld, zodat er thans derhalve geen vigerend milieubeleidsplan is.
Bij besluit van 19 september 2002 (Provinciaal Blad nr. 2002176) hebben wij ter zake evenwel een beleidsregel vastgesteld. Uit hoofde van die beleidsregel dienen wij bij het nemen van besluiten op grond van de Wet milieubeheer of op grond van een wet, genoemd in een bij de Wet milieubeheer behorende bijlage, voorzover daarbij het belang van de bescherming van het milieu in beschouwing moet of kan worden genomen, in de periode liggend tussen 1 november 2002 en de datum van inwerkingtreding van een nieuw Gelders milieubeleidsplan rekening te houden met het Gelders Milieuplan 1996-2002, zoals dat voordien gold.
Wij hebben gelet op het voorgaande getoetst of de aanvraag past binnen de kaders van het inmiddels vervallen Gelders milieuplan. Wij zijn van opvatting dat het geldende beleid zich niet verzet tegen vergunningverlening.
Op grond van artikel 8.10 Wet milieubeheer kan de Wm-vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Onderdeel van het begrip "bescherming van het milieu' is de zorg voor de doelmatig beheer van afvalstoffen. Onder doelmatig beheer van afvalstoffen moet op grond van artikel 1.1 Wet milieubeheer worden begrepen: zodanig beheer van afvalstoffen dat daarbij rekening wordt gehouden met het geldende afvalbeheersplan, dan wel de voor de vaststelling van dat plan geldende bepalingen, dan wel de voorkeursvolgorde aangegeven in artikel 10.4 en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.
Op 3 maart 2003 is het In deel 1 van het LAP in werking getreden. In de toelichting bij deel 2 van het LAP is in de paragraaf 'Algemene bepalingen bij vergunningverlening' aangegeven op welke wijze wij bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het inzamelen, bewaren en be- en verwerken van afvalstoffen rekening moet houden met een aantal algemene bepalingen aangaande het LAP en met de in deel 2 van het LAP opgenomen sectorplannen.
Voor autowrakken is een sectorplan (sectorplan nummer 11) opgesteld. In dit sectorplan is de minimum vereiste wijze van verwijdering, de zogenaamde minimumstandaard, vastgesteld. Voor de opslag en demontage van autowrakken geldt het Besluit beheer autowrakken als de minimumstandaard.
Op grond van het voorgaande zijn de voorschriften uit het Besluit beheer autowrakken opgenomen in de vergunning. De inrichting voldoet hiermee aan de minimum eisen zoals gesteld in het Besluit beheer autowrakken.
7 MILIEUHYGIENISCHE TOETSING
7.1 Bodemkwaliteit
Door middel van de bij de aanvraag gevoegde bodemonderzoeksrapporten (rapport van 29 mei 2001 van NIPA Milieutechniek B.V., kenmerk "projectnummer 01.4397" en rapport van augustus 1993 van Grontmij Advies en Techniek B.V., kenmerk 5502.bwt/rm) is de situatie van de bodem bekend.
Het bodemonderzoeksrapport van 1993 merken wij aan als een nul-situatiebodemonderzoek. Het onderzoek uitgevoerd door NIPA Milieutechniek B.V. is uitgevoerd in het kader van de in de toekomst op te starten bouwvergunningprocedure. Door wijziging van de indeling van het terrein is een dergelijk onderzoek noodzakelijk.
De bodemonderzoeken worden in het dictum opgenomen en maken deel uit van deze vergunning. Bij (tussentijdse) beëindiging van de activiteiten wordt het uit te voeren eindonderzoek vergeleken met voornoemd nul-onderzoek zodat kan worden vastgesteld of de bodem mogelijk (verder) is verontreinigd.
Ten aanzien van bodembedreigende activiteiten dienen maatregelen te voorkoming van bodemverontreiniging getroffen te worden of getroffen zijn. Tevens zijn in het belang van de bescherming van het milieu hiertoe voorschriften aan de vergunning verbonden. Zo moeten o.a. alle aanwezige en nog aan te leggen vloeistofdichte vloeren gekeurd worden conform CUR/PBV-aanbeveling 44 en vergezeld gaan van een PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening.
Voorts merken wij op dat bij aanleg van nieuwe vloeistofdichte vloeren deze aangelegd dienen te worden conform de CUR/PBV-aanbeveling 65.
7.2 Lucht
Het koelmiddel dat in airconditioningsapparatuur van personenauto's wordt toegepast kan bestaan uit met fluor, chloor of broom gehalogeneerde koolwaterstoffen (CFK's). Gebleken is dat deze stoffen zeer schadelijk zijn voor de ozonlaag. Inmiddels is de productie van deze stoffen in veel landen verboden en zijn beperkingen gesteld aan het gebruik ervan. In Nederland zijn deze regels opgenomen in het "Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten (1995)" (CFS-besluit) en de "Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties 1997". Ook airconditioningsapparatuur in personenauto's (en autowrakken) valt onder de werkingssfeer van het CFK-besluit en voormelde Regeling. Zo mag het onderhoud aan airco's, bijvoorbeeld het aftappen of bijvullen van het koelmiddel, uitsluitend worden verricht door een persoon die in dienst is van een onderneming die is erkend door de Stichting Erkenningsregeling voor de uitoefening van het Koeltechnisch installatiebedrijf (STEK). Concreet betekent dit voor een autodemontage-inrichting dat zij weliswaar autowrakken en schadeauto's die zijn voorzien van een airconditioning mogen accepteren, maar dat het koelmiddel uitsluitend mag worden verwijderd door een monteur van een STEK-erkend bedrijf. Zo'n monteur kan op locatie, bij het autodemontagebedrijf zelf, het koelmiddel uit een autowrak met airco verwijderen.
Hierdoor is het niet noodzakelijk om een dergelijk autowrak naar een STEK-erkend bedrijf te transporteren. De soort en hoeveelheid koelmiddel die wordt verwijderd dient te worden geregistreerd.
De demontage van lpg-tanks dient plaats te vinden in de open lucht. Het is niet toegestaan dat binnen de inrichting lpg-tanks worden ontgast. Het ontgassen van lpg-tanks dient te geschieden door daartoe ingerichte ondernemingen.
7.3 Geluid
De aanvraag heeft betrekking op een bedrijfssituatie waarin een onderdelenopslaghal, een demontagehal en een kantoor met personeelsruimte aanwezig zijn op de locatie Dorpsstraat 10. Daarnaast heeft de aanvraag betrekking op de locatie Dorpsstraat 2, ten aanzien waarvan geen wijziging ten opzichte van de bestaande situatie wordt aangevraagd.
Op 26 januari 1993 hebben wij een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet verleend voor de betreffende inrichting. In verband met beroepen tegen die vergunning heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 mei 1995 uitspraak gedaan. De geldigheidsduur van de vergunning is op 26 januari 2003 geëxpireerd, zodat geen sprake is van een situatie waarin bestaande rechten een rol kunnen spelen. Met het oog op het belang van de bescherming van het milieu, meer in het bijzonder de belangen van omwonenden, kan aan de procedure die bij de totstandkoming van die vergunning is doorlopen desalniettemin het volgende worden ontleend.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in haar uitspraak van 31 mei 1995 voorschrift 3.6 van voornoemde vergunning aangescherpt, zodanig dat geraasmakende activiteiten alleen in de werkplaats moeten worden verricht waarbij deuren en ramen gesloten zijn. Deze activiteiten mogen verder uitsluitend onder strikte voorwaarden buiten de werkplaats worden verricht en niet in het op de tekening met rood omlijnde aangegeven gebied. Daarnaast is het niet toegestaan dat op het terrein tussen de - langs de erfafscheiding gelegen - open loods en de werkplaats/opslagruimte met de twee heftrucks en de takelwagens wordt gereden.
Ten aanzien van het door het rijden met de heftruck veroorzaakte geluid, dat is onderzocht in het rapport Controlemetingen van de geluidsemissie bij Rhenoy B.V. d.d. 17 april 2002, merken wij op dat met het opstellen daarvan er rekening is gehouden met bronvermogens van 102 respectievelijk 97,6 dB(A). Dat brengt onder andere mee dat de lepels van de vorkheftruck niet klapperen en niet hinderlijk over de grond schuren. De lepels dienen derhalve afdoende te worden vastgemaakt (bijvoorbeeld door lassen). Bovendien zal een rubber coating om de lepels moeten worden aangebracht die regelmatig wordt vernieuwd.
Zolang de bebouwing nog niet is gerealiseerd, achten wij het naleven van het bovenstaande van belang. Zodoende wordt immers gewaarborgd dat de geluidsbelasting vanwege de inrichting niet toeneemt ten opzichte van de thans bestaande (en eerder vergunde) situatie, ook niet tijdelijk. Vorenstaande is dan ook onverkort in deze vergunning opgenomen met het oog op de bescherming van het belang van het milieu.
Blijkens het bij de aanvraag behorende akoestische rapport voldoet de aanvrager in de huidige (feitelijk bestaande) situatie aan de geluidsgrenswaarde voor een rustige woonwijk als bedoeld in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Het daarbijbehorende geluidsniveau bedraagt 45 dB(A).
Uit het akoestisch rapport van 25 november 2002 blijkt dat het aangevraagde langetijdgemiddeld beoordelingsniveau LAR,LT ten hoogste 39 dB(A) bedraagt. Dit beoordelingsniveau voldoet ruimschoots aan de geluidsgrenswaarde voor het equivalente geluidsniveau van 45 dB(A), zoals opgenomen in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Wij zien in de verstrekte gegevens voldoende aanleiding te bepalen dat het equivalente geluidsniveau in overeenstemming met de aanvraag kan worden gesteld op 40 dB(A). Omdat het bereiken van dat niveau niet afhankelijk is van de realisering van de nieuwbouw, omdat dat niveau in de huidige situatie ook al wordt bereikt, bestaat er geen reden niet reeds bij het van kracht worden van deze vergunning het equivalente geluidsniveau op genoemde waarde van 40 dB(A) vast te legen.
Met betrekking tot maximale geluidsniveaus merken wij het volgende op. Onder meer is het indrukken van de daken van auto's niet aangevraagd en derhalve niet vergund. Tevens wordt een aantal geluidsreducerende maatregelen voorgesteld in de aanvraag.
De metaalcontainer wordt verplaatst naar positie A (aan de noordoostzijde van het bedrijfsterrein) of naar positie B (aan de noordzijde van het bedrijfsterrein achter de daar aanwezige loods). Voor de exacte positie van de metaalcontainer wordt verwezen naar het rapport van 25 november 2002. De container wordt aan de binnenzijde bovendien voorzien van een rubberen laag met een demping van minimaal 5 dB(A). Genoemde maatregelen zijn in het akoestisch rapport van 25 november 2002 niet gemodelleerd.
In het akoestisch rapport is het geluidsniveau bepaald op de 5 referentiepunten in de directe omgeving van de inrichting, zoals die zijn opgenomen in de vigerende vergunning van de inrichting. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM, 1999). De methodiek van het rapport is gebaseerd op de ISO R 1996 (1971) richtlijn. Voor controlemetingen dient te worden gemeten en beoordeeld conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (uitgave Samson 1999).
In de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening is een grenswaarde van 70 dB(A) opgenomen voor maximale geluidsniveaus (Lmax) gedurende de dagperiode. Verder is daarin aangegeven dat gestreefd moet worden naar het voorkomen van Lmax die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidsniveau uitstijgt. Gezien op de omgeving waar Rhenoy is gevestigd (rustige woonwijk), zou het Lmax in dit geval mogen uitkomen op een niveau van 55 dB(A). Rekening houdend met de in deze vergunning vastgelegde waarde van 40 dB(A) zou gestreefd moeten worden naar. een Lmax-niveau van ten hoogste 50 dB(A). Ten slotte is in de Handreiking aangegeven dat ontheffing van het maximale geluidsniveau voor de dagperiode ten hoogste 5 dB zou mogen bedragen.
Het maximale geluidsniveau vanuit de inrichting bedraagt op een drietal beoordelingspunten 64 dB(A) en op twee andere beoordelingspunten (punten 4 en 5) 68-71 dB(A).
Op beoordelingspunt 4 wordt het maximale geluidsniveau Lmax bepaald door het storten van metaal in de container. Door het aanbrengen van een rubberen laag in de container kan het maximale geluidsniveau Lmaxop beoordelingspunt 4 worden teruggebracht naar 63 dB(A). Door de container daarnaast ook te verplaatsen, zal een niveau van minder dan 63 dB(A) worden bereikt. Verdere reductie van het geluidniveau is naar onze mening niet mogelijk. Het maximale geluidsniveau blijft evenwel ruimschoots beneden de in de Handreiking aangegeven waarde van 70 dB(A) voor de dagperiode.
Op beoordelingspunt 5 wordt het maximale geluidsniveau Lmax bepaald door het rijden van de vrachtwagen. Het gaat hier om geluid dat inherent is aan de inrichting. Voor de bedrijfsvoering is het immers noodzakelijk dat goederen kunnen worden aan- en afgevoerd naar respectievelijk van de locatie Dorpsstraat 2.
Het betreft een zeer beperkt aantal (niet meer dan twee) vrachtwagens per dag gedurende de dagperiode. Voorts kunnen aan de aan- en afrijdende vrachtwagens, die in de regel niet van Rhenoy maar van derden zijn, redelijkerwijs geen geluidswerende voorzieningen worden getroffen. Vanwege de inrichting van het bedrijfsterrein van Rhenoy is het wijzigen van de rijroutes evenmin mogelijk. Ook overigens zien wij niet in dat maatregelen kunnen worden getroffen om het maximale geluidniveau te beperken.
Wij moeten vaststellen dat het maximale geluidsniveau ter hoogte van beoordelingspunt 5 in totaal 1 dB uitstijgt boven de waarde van 70 dB(A) die in de Handreiking als grenswaarde voor de dagperiode wordt genoemd. Er is evenwel sprake van een voor de bedrijfsvoering onvermijdbare situatie waarin technische noch organisatorische maatregelen kunnen worden getroffen om het maximale geluidsniveau te beperken.
Om reden hiervan zijn wij bereid ter zake van beoordelingspunt 5 een ontheffing toe te staan van het maximale geluidsniveau tot maximaal 71 dB(A). Hiermee voldoen wij aan de Handreiking, waarin immers is aangegeven dat - in gevallen waarin niet aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau kan worden voldaan - wegens bijzondere omstandigheden hogere maximale geluidsniveaus kunnen worden vergund in een situatie waarin naar het oordeel van het bevoegd gezag geen voor het milieu onaanvaardbare hinder optreedt en waarbij de uitzondering niet geldt voor meer dan 5 dB. Aan die voorwaarden is voldaan.
De geluidsbelasting van de verkeersaantrekkende werking van Rhenoy voldoet bij de maatgevende woning van derden aan de voorkeurswaarde van 50 dB(A) zoals aangegeven in de circulaire van VROM (MBG 96006131 van 29 februari 1996).
De hierboven beschreven situaties kunnen akoestisch gezien worden vergund met inachtneming van de daaraan door ons gestelde voorschriften. De gestelde voorschriften bieden onzes inziens voldoende bescherming van het milieu. Wij zijn van opvatting dat verdergaande maatregelen redelijkewijze niet van Rhenoy kunnen worden gevergd.
7.4 Visuele hinder
Om (mogelijke) visuele hinder te beperken is in hoofdstuk G (voorschrift G.1 tot en met G.4) opgenomen dat er maatregelen dienen te worden genomen zodat autowrakken en/of onderdelen daarvan, niet van buiten de inrichting zichtbaar zijn. Daarnaast zijn voorschriften opgenomen die de (mogelijke) hinder van licht dienen te beperken.
7.5 Energie
De circulaire Energie in de milieuvergunning (Ministeries van VROM en EZ, oktober 1999) vormt de leidraad voor het beoordelen of in een milieuvergunning voorschriften ter besparing van het energieverbruik dienen te worden opgenomen. De circulaire stelt dat het aspect energie relevant is als een inrichting jaarlijks meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m3 aardgas verbruikt.
lngeschat wordt dat het energieverbruik van de inrichting, mede gelet op de omvang van de uitgevoerde activiteiten, lager is dan bovengenoemde hoeveelheden. Op grond hiervan zien wij af van het stellen van voorschriften met betrekking tot dit onderwerp.
7.6 Externe veiligheid
Na het van kracht worden van de vergunning moet binnen de inrichting een calamiteitenplan aanwezig zijn. Dit plan bevat onder andere een waarschuwingsprocedure in geval van brand en plattegronden van de inrichting (waarop duidelijk de plaats van o.a. brandkranen, blus- en waterleidingen, brandblusapparatuur, gebouwen en wegen, machines en (brandbare/giftige) stoffen, drukvaten en gasflessen, gasleidingen, meters en afsluiters, soorten (afval)stoffen en wat de bruikbare blusmethode is per (afval)stof is) en de plaats waar poederblussers zich moeten bevinden, is aangegeven.
Tevens is een voorschrift opgenomen ten behoeve van de bereikbaarheid van voertuigen met brandblusen/of reddingsmateriaal.
7.7 (Gevaarlijk) afval
Bij de bedrijfsvoering komen afvalstoffen vrij. Naast de bedrijfsafvalstoffen komen gevaarlijke afvalstoffen vrij. Gevaarlijke afvalstoffen zijn gedefinieerd in de Europese afvalstoffenlijst (Eural). In paragraaf 3.6 is deze wetgeving beschreven. In de aanvraag is aangegeven op welke plaatsen binnen de inrichting de gevaarlijke afvalstoffen worden opgeslagen. In de voorschriften is opgenomen aan welke eisen deze opslagfaciliteiten dienen te voldoen.
7.8 Verkeer en vervoer
In het akoestisch onderzoeksrapport zijn de uitgangspunten opgenomen ten aanzien van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting,
7.9 Preventie
Op basis van het Besluit beheer autowrakken wordt de (auto)producent het nemen van maatregelen ter bevordering van preventie voorgeschreven.
Deze maatregelen zijn erop gericht dat:
a. het gebruik van gevaarlijke afvalstoffen in voertuigen wordt beperkt, teneinde het
vrijkomen ervan in het milieu te voorkomen
alsmede hergebruik als product of materiaal te vergemakkelijken en de verwijdering van
gevaarlijke afvalstoffen te vermijden;
b. een nieuw type voertuig zodanig wordt ontworpen dat demontage en nuttige toepassing
van autowrakken en van de daarin aanwezige materialen en onderdelen worden
vergemakkelijkt;
c. steeds meer hergebruikt materiaal in voertuigen en in andere producten wordt toegepast.
8 WIJZIGINGEN TEN OPZICHTE VAN DE ONTWERPBESCHIKKING
De onderhavige beschikking bevat op de volgende onderdelen wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking:
a. in de paragraaf "Besluit" hieronder en in voorschrift E.1 is expliciet vastgelegd dat de
vergunning betrekking heeft op de verwerking van maximaal 600 autowrakken per jaar;
b. in de voorschriften is vastgelegd dat Rhenoy zijn bedrijf overeenkomstig zijn aanvraag in
werking dient te hebben. Aan Rhenoy wordt een termijn van één jaar gegeven voor het
realiseren van de daartoe vereiste bebouwing;
c. er zijn aanvullende eisen gesteld aan het rijden met de vorkheftrucks en voorzieningen die
daaraan dienen te worden aangebracht.
Voor de motivering van deze wijzigingen verwijzen wij naar onze reactie op bedenking 5c hierboven. Bovenstaande wijzigingen hebben niet geleid tot het publiceren van een nieuwe ontwerpbeschikking, omdat de aard van de wijzigingen daartoe niet noopte. Tevens zijn de als gevolg van de bedenkingen doorgevoerde wijzigingen ten opzichte van de ontwerpbeschikking in een telefonisch onderhoud besproken met de aanvrager, die heeft verklaard in te stemmen met evenbedoelde wijzigingen.
9 TERMIJN VAN DE VERGUNNING
De activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd hebben onder andere betrekking op de opslag en be-/verwerking van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen. In artikel 8.17 van de Wet milieubeheer is opgenomen dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen waarin afvalstoffen nuttig worden toegepast of worden verwijderd, worden aangewezen, ten aanzien waarvan de vergunning, voorzover zij deze handelingen betreft, slechts geldt voor een bij de vergunning te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.
Voor de aangevraagde activiteiten die niet vallen onder de hiervoren bedoelde AMvB geldt de vergunning voor onbepaalde duur.
Gelet op het voorgaande zal de gevraagde vergunning deels voor een periode van tien jaar en deels voor onbepaalde duur worden verleend.
BESLUIT
Overwegende het hiervoor vermelde en gelet op Afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht, de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde uitvoeringsbesluiten en het gestelde in het Inrichtingen en vergunningenbesluit milieubeheer, het Gelders Milieubeleidsplan 1996-2000 en het LAP.
HEBBEN WIJ BESLOTEN
1 aan Rhenoy Autodemontage B.V. te Rhenoy overeenkomstig de aanvraag en de daarbij
behorende bescheiden vergunning te verlenen ingevolge de Wet milieubeheer voor de
volgende activiteiten en geldigheidsduur:
- het bewaren, bewerken en verwerken van maximaal 600 autowrakken per jaar voor een
periode van tien jaar na datum van deze beschikking;
en voor de volgende activiteiten voor onbepaalde duur:
- de handel in auto's en verrichten van reparatiewerkzaamheden aan auto's.
2 dat de navolgende delen van de aanvraag deel uitmaken van deze beschikking:
- aanvraagformulier d.d. 19 juni 2002;
- akoestisch rapport d.d. 25 november 2002 van Adviesburo Van der Boom, kenmerk 02-245;
- akoestisch rapport d.d. 17 september 2002 van Adviesburo Van der Boom, kenmerk 02-
245;
- akoestisch rapport d.d. 7 augustus 2002 van Adviesburo Van der Boom, kenmerk 02245
- bodemonderzoeksrapport uitgevoerd door NIPA Milieutechniek B.V. d.d. 29 mei 2001,
kenmerk 01.4397;
- bodemonderzoeksrapport uitgevoerd door Grontmij Advies en Techniek B.V. d.d. augustus
1993, kenmerk 5502.bwt/rm;
- ongedateerde brief, doorons ontvangen op 27 november2002, houdende aanvullende
gegevens;
- plattegrondtekening met kenmerk M-01 van 25 november 2002;
- akoestisch onderzoeksrapport d.d. 4 november 1991, "Geluidsemissie autosloperij Rhenoy
B.V. te Rhenoy", nummer 91.194 uitgevoerd door Akoestisch adviesburo
Van der Boom B.V.;
- aanvulling op het akoestisch onderzoeksrapport d.d. 8 juni 1993 met opdrachtnummer
91.194 uitgevoerd en gerapporteerd door Akoestisch adviesburo Van der Boom B.V.-,
- de bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 31 mei
1995 met kenmerk G05.93.05761114-239 behorende de tekening met daarop aangegeven
een rood omlijnd gebied (kenmerk D 0485-12-001-36);
3 aan de vergunning in het belang van de bescherming van het milieu de volgende beperkingen en voorschriften te
verbinden.
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
INHOUDSOPGAVE
BEGRIPPENLIJST
A BODEM
Kern voorschriften
Aanvullende voorschriften
B AFVAL(STOFFEN)
Kern voorschriften
Aanvullende voorschriften
C WATER
Kern voorschriften
Aanvullende voorschriften
D GELUID
Kern voorschriften
Aanvullende voorschriften
E ALGEMEEN
F (EXTERNE) VEILIGHEID
G VISUELE HINDER
H LUCHT
I GASSEN
J COMPRESSOR
K GASGESTOOKTE INSTALLATIE MET EEN VERMOGEN < 130 kW
L DIESELHEFTRUCK
M TANKPLAATS
BIJLAGE: ONDERNEMINGEN DIE ZIJN INGERICHT VOOR HET ONTGASSEN VAN
LPG-TANKS
BEGRIPPENLIJST
Autowrak:
voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert, in Nederland niet op een rendabele wijze in voldoende staat van onderhoud kan worden gebracht en dat het een afvalstof is in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Onbewerkte wrakken:
autowrakken die nog niet ontdaan zijn van de in het voertuig aanwezige bodembedreigende vloeistoffen en andere gevaarlijke onderdelen en welke op basis van de Eural dient te worden aangeduid als gevaarlijk afval.
"Droge" autowrakken:
afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke afvalstoffen bevatten.
"Natte" autowrakken:
afgedankte voertuigen die vloeistoffen en andere gevaarlijke afvalstoffen bevatten.
Verwerking autowrakken:
nuttige toepassing of verwijdering van autowrakken of van de daarin aanwezige materialen of onderdelen.
Hergebruiken als product:
opnieuw gebruiken van onderdelen van autowrakken voor hetzelfde doel als voor ze zijn ontworpen.
Hergebruiken als materiaal:
na een be- of verwerking opnieuw gebruiken van materialen van autowrakken voor hetzelfde doel als waarvoorze zijn ontworpen, of andere doeleinden daaronder niet inbegrepen terugwinning van energie.
Bewerkte wrakken:
autowrakken die in elk geval ontdaan zijn van de in het voertuig aanwezige bodembedreigende vloeistoffen en andere gevaarlijke onderdelen en welke op basis van de Eural dient te worden aangeduid als gevaarlijk afval.
Bodembedreigende vloeistoffen/milieuschadelijke vloeistoffen:
vloeistoffen die de bodem kunnen verontreinigen, niet zijnde schoon hemelwater.
Geëigende inrichting
een inrichting die een daartoe geldende vergunning heeft voor het in werking hebben van een milieuhygiënisch verantwoorde en doelmatige verwerkingsmogelijkheid.
K1-vloeistof:
een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 1 bar lager ligt dan 21°C (bijvoorbeeld benzine).
K2-vloeistof:
een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt, bepaald met het toestel van Abel-Pensky, bij een druk van 1 bar lager ligt dan 55 °C, doch niet lager dan 21 °C (bijvoorbeeld tractorpetroleum).
K3-vloeistof:
een brandbare vloeistof waarvan het vlampunt, bepaald met het toestel van Pensky-Martens, bij een druk van 1 bar gelijk is aan of hoger dan 550 °C, doch niet hoger dan 100 °C (bijvoorbeeld dieselolie).
Beheermaatregel:
maatregel gericht op de bedrijfsvoering zoals beheer van procesapparatuur en het zorgvuldig procesmatig handelen bestaande uit: onderhoud, inspectie en toezicht en incidentenmanagement.
Bodembelasting
verandering van de bodemkwaliteit ten gevolge van een bodememissie.
BSB:
Bodemsanering in gebruik zijnde Bedrijfsterreinen.
Eural:
EuropeseAfvalstoffenlijst. Europese beschikking betreffende de lijst van afvalstoffen ter uitvoering van Richtlijn 751442/EEG betreffende Afvalstoffen en Richtlijn 911689/EEG betreffende Gevaarlijke Afvalstoffen.
Gevaarlijke afvalstof:
afvalstof die overeenkomstig de Eural als een gevaarlijke stof is aangemerkt.
lnspectieprogramma bodem beschermende voorzieningen: een programma waarin wordt vastgelegd welke bodembeschermende voorzieningen (door derden) geïnspecteerd moeten worden, op welke wijze, met welke frequentie, welke middelen nodig zijn, door wie het onderhoud van deze voorzieningen wordt uitgevoerd, welke (vervolg)acties conform NRB nodig zijn en op welke manier resultaten van (vervolg)acties worden geregistreerd.
Inspecties:
periodieke controle op de fysieke staat van bron- of effectgerichte voorzieningen.
Gedeputeerde Staten:
dagelijks bestuur van de provincie Gelderland.
CURIPBV:
Civieltechnisch Centrum Uitvoering Research en Regelgeving.
Projectbureau Plan Bodem beschermende Voorzieningen.
Stidhting CUR, Büchnerweg 1, Postbus 420, 2800 AK GOUDA, tel. (01 82) 54 06 00.
CURIPBV-aanbeveling 44:
aanbeveling van de CUR/PBV-voorschriftencommissie VC 34 Beoordeling van vloeistofdichte voorzieningen, tweede herziene uitgave.
CURIPBV-aanbeveling 65:
Beoordelingscriteria/aanbevelingen ten behoeve van ontwerp en aanleg van bodembeschermende voorzieningen. Uitvoering door middel van een vloeistofdichte betonvloer of -verharding of het aanbrengen van een beschermlaag op een draagvloer van beton.
VLG:
Reglement betreffende het vervoer over land van gevaarlijke stoffen.
PBV:
Plan Bodembeschermende Voorzieningen.
PBV-verklaring vloeistofdichte voorziening
verklaring op basis van het KIWA/PBV-document 99-02 Model Verklaring vloeistofdichte voorziening.
Herstelplicht:
verplichting, gelet op de zorgplichtbepaling Wet milieubeheer en de Wet bodembescherming, om na constatering van bodembelasting de nulsituatie met betrekking tot de bodemkwaliteit te herstellen.
Toezicht:
controle op het doelmatig uitvoeren van handelingen tijdens het proces gericht op het voorkomen dan wel signaleren van lekken of het falen van procesapparatuur.
CPR:
Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen.
NEN:
een door het Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm.
Langtijdqemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT):
de beoordelingsgrootheid is gebaseerd op het equivalente geluidsniveau LAeq,T, waarbij tevens rekening gehouden wordt met de afzonderlijke geluidsbijdragen tijdens de verschillende bedrijfstoestanden van de inrichting, alsmede met het karakter van het geluid en variaties van het immissieniveau als gevolg van verschillende weersomstandigheden, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai", uitgave Samson 1999.
LAmax:
het maximale A-gewogen geluidsniveau als hoogste aflezing in de meterstand 'fast'; op deze afgelezen waarde wordt de meteocorrectieterm Cm toegepast.
NRB-.
Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB).
Informatie over de NRB kan worden ingewonnen bij lnfomil.
Telefoon (070) 361 05 75.
Onafhankelijk deskundig inspecteur:
een inspecteur die aangesloten is bij de Stichting ODI, die voldoet aan de eisen zoals gesteld in het KIWAIPBV-rapport 9801.
Stichting Onafhankelijke Deskundige Inspecteurs en adviseurs Postbus 88
3840 AB Harderwijk
Telefoon (0341) 42 21 74 (9.00 tot 12.00 uur)
www.odivdv.nl
Vloeistofdichte vloer:
een vloer beoordeeld en goedgekeurd overeenkomstig CURIPBV-aanbeveling 44.
Shredderinstallatie:
toestel dat voor het stuktrekken of versneden van autowrakken wordt gebruikt.
Equivalent geluidsniveau (LAeg):
het gemiddelde van de afwisselende niveaus van het ter plaatse in de loop van een bepaalde periode optredende geluid, vastgesteld overeenkomstig de "Handleiding meten en rekenen industrielawaai", IL-HR-13-01 (maart 1981).
De wet:
De Wet milieubeheer.
Besteladressen:
NEN-normen bij:
Nederlands Normalisatie-instituut
Vlinderweg 6
Postbus 5059
2600 GB Delft
tel. (015) 269 03 91/fax (015) 269 02 71
www.nni.nl
CPR-richtlijnen bij:
SDU Service, afdeling verkoop
Postbus 20014
2500 EA 's-Gravenhage
tel. (070) 378 98 80/fax: (070) 378 97 83
www.sdu.nl
BRL-richtlijnen bij:
KIWA N.V.
Postbus 70
2280 AB Rijswijk
tel. (070) 414 44 00/fax (070) 414 44 20
www.kiwa.nl
A BODEM
Kernvoorschriften
1 Potentiële bodembelastende activiteiten mogen uitsluitend plaatsvinden boven of op een
vloeistofdichte vloer of in een voorziening als bedoeld in de NRB. Desbetreffende vloer
of voorziening dient bestand te zijn tegen de inwerking van de hierop gebezigde
bodembedreigende(vloei)stoffen en/of vloeistofbevattende onderdelen en tegen de
krachten die hierop worden uitgeoefend.
Dit geldt in ieder geval voor de gedeelten van een inrichting die bestemd zijn voor:
- het opslaan van autowrakken die nog niet zijn ontdaan van bodembelastende
vloeistoffen of vloeistofbevattende onderdelen (onbewerkte wrakken);
- het aftappen van bodembelastende en/of milieuschadelijke vloeistoffen of het
demonteren van vloeistofbevattende onderdelen;
- de opslag in emballage van bodembelastende vloeistoffen of vloeistofbevattende
onderdelen;
- de opslag en het opladen van accu's;
- het verwerken van wrakken;
- herstellen van motorvoertuigen.
2 Autowrakken die nog niet ontdaan zijn van de in voorschrift B.2 genoemde stoffen,
preparaten of andere producten dienen direct bij binnenkomst in een inrichting en in
afwachting van de verdere bewerking op een specifiek daarvoor aangewezen gedeelte
van de inrichting opgeslagen en niet gestapeld te worden.
3 Een vloeistofdichte vloer dient aan alle zijden zodanig te zijn begrensd, dat geen vloeistof
buiten deze verharding kan treden.
De vloer dient zodanig op afschot te liggen, dat afvloeien naar het afvoersysteem blijvend
is gewaarborgd. Het vloeistofdichte oppervlak dient voldoende vlak te zijn om
plasvorming te voorkomen.
4 De op een vloeistofdichte vloer of voorziening gelekte of gemorste bodembedreigende
vloeistoffen, alsmede bedrijfsafvalwater en hemelwater dat met de vloeistofdichte vloer of
voorziening in aanraking is gekomen, dienen op een milieuverantwoorde wijze te worden
afgevoerd.
Hiertoe dienen vloeistofdichte adequate aansluitingen van de vloeistofdichte vloeren of
voorzieningen op olie- en slibafscheiders, schrobputten, afvoergoten, zuiveringtechnische
voorzieningen, bedrijfsriolering of openbare riolering aanwezig te zijn.
5 Het aftappen van bodembelastende vloeistoffen en het demonteren van onderdelen
welke bodembelastende vloeistoffen (kunnen) bevatten, alsmede het opslaan van
afgetapte vloeistoffen en gedemonteerde bodembelastende vloeistofbevattende
onderdelen, dient te geschieden onder een overkapping of een andere gelijkwaardige
voorziening, die de vloeistofdichte vloer of voorziening afdoende tegen het inregenen
beschermt.
6 Vloeistoffen die uit autowrakken of vloeistofbevattende onderdelen daarvan lekken,
dienen terstond te worden opgevangen en opgeslagen in een opslagmedium als bedoeld
in voorschrift A.25. Daartoe dienen voldoende opvangvoorzieningen aanwezig te zijn
binnen de inrichting.
Aanvullende voorschriften
Keuringen van vloeren
7 Binnen zes maanden na het van kracht worden van de beschikking dient een
vloeistofdichte vloer of voorziening als bedoeld in voorschrift A.1, te worden beoordeeld
op vloeistofdichtheid beoordeeld door een onafhankelijk deskundig inspecteur, zoals
bedoeld in de PBV/CUR-aanbeveling 44.
Op grond van de geldende vergunning(en) ingevolge de Wet milieubeheer nog te
realiseren nieuwe vloeistofdichte voorzieningen dienen voor ingebruikneming te worden
beoordeeld door een onafhankelijk deskundig inspecteur, zoals bedoeld in de
PBV/CUR-aanbeveling 44.
De resultaten van de inspectie dienen binnen twee maanden na het uitvoeren van de
inspectie te zijn overgelegd aan Gedeputeerde Staten.
8 Indien de uitkomsten van de beoordeling daartoe aanleiding geven moet, uiterlijk binnen
achttien maanden na het van kracht worden van de beschikking, de vloer of voorziening
hersteld en goedgekeurd zijn conform het hersteladvies van de deskundig inspecteur
(Stichting ODINDV, www.odivdv.nl, secretarie (0341) 42 21 74).
Een geldige "PBV verklaring vloeistofdichte voorziening" moet te allen tijde op verzoek
van het bevoegd gezag (ambtenaren van de dienst Milieu en Water, die zich als
toezichthouders kunnen legitimeren), worden getoond.
9 Herkeuring van de vloeistofdichte vloeren of voorzieningen moet uiterlijk drie maanden
voor het verstrijken van de keuringstermijn, zoals genoemd op de 'PBV-verklaring
vloeistofdichte voorziening' plaatsvinden.
10 De vloeistofdichte voorzieningen dienen goed te worden onderhouden en periodiek te
worden geïnspecteerd overeenkomstig CUR/PBV-aanbeveling 44.
Hiertoe dient een inspectieprogramma te worden opgesteld, welke uiterlijk zes maanden
na het van kracht worden van de vergunning ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten
wordt toegezonden. Met de uitvoering van het programma mag pas worden gestart nadat
Gedeputeerde Staten schriftelijk te kennen hebben gegeven dat het programma in
overeenstemming is met de voorschriften. In het inspectieprogramma dient het volgende
te zijn uitgewerkt:
1 welke voorzieningen moeten worden geinspecteerd;
2 de inspectiefrequentie (periodiek, toezicht op specifieke handelingen);
3 de wijze van inspectie (visueel, monsterneming, metingen, etc.);
4 welke deskundigheid daarvoor nodig is;
5 wie voor de inspectie verantwoordelijk is;
6 welke middelen daarvoor nodig zijn;
7 hoe de resultaten worden gerapporteerd en geregistreerd;
8 welke acties bij geconstateerde onregelmatigheden zullen worden genomen.
De bevindingen van de inspecties dienen in een logboek te worden bijgehouden.
Bodemonderzoek/bodemsanering/monitoring
11 Indien op grond van enig voorschrift, verbonden aan deze vergunning, voorzieningen dienen te worden getroffen welke het uitvoeren van een bodemonderzoek zouden kunnen belemmeren of onmogelijk maken, moet het bodemonderzoek worden verricht voordat de betreffende voorzieningen zijn getroffen.
12 Degene die voornemens is de inrichting of een gedeelte van daarvan buiten werking te
stellen of te wijzigen, meldt dit voornemen voor het beëindigen aan het bevoegd gezag.
13 In geval van een redelijk vermoeden van verontreiniging van de grond enlof het
grondwater, dan wel na (tussentijdse) beëindiging of wijziging van de inrichting, drie
maanden voor het aflopen van de vergunning dient een onderzoek ter vaststelling van de
bodemkwaliteit te worden uitgevoerd op aanwijzing van Gedeputeerde Staten.
Het onderzoek richt zich minimaal op die plaatsen waar bodembedreigende handelingen
hebben plaatsgevonden en op de stoffen die door de werkzaamheden ter plaatse een
bedreiging voor de bodemkwaliteit vormen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd
conform de strategie als bedoeld in het protocol "Bodemonderzoek milieuvergunning en BSB
met protocol voor gecombineerd bodemonderzoek, SDU, Den Haag, tweede druk 1994,
tenzij goedkeuring van Gedeputeerde Staten is verkregen voor het toepassen van een
andere onderzoeksstrategie. De opzet van het bodemonderzoek dient alvorens tot
uitvoering wordt overgegaan, te zijn goedgekeurd door Gedeputeerde Staten.
Gedeputeerde Staten kunnen nadere eisen stellen aan de inhoud en uitvoering van het
onderzoek (de situering, de diepte, het aantal boringen en het analysepakket).
De resultaten van het onderzoek dienen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na het buiten gebruik stellen of wijzigen van de inrichting, te worden overgelegd aan Gedeputeerde Staten.
14 De peilbuizen moeten zijn geplaatst op de plaatsen zoals aangegeven in het bij de
aanvraag gevoegde en van deze vergunning deel uitmakende bodemonderzoek van
Grontmij Advies en Techniek B.V. d.d. augustus 1993. De peilbuizen moeten in goede
staat van onderhoud verkeren en vrij toegankelijk en bereikbaar zijn.
15 De bemonstering van de peilbuizen moet eenmaal per jaar geschieden en de monsters
dienen geanalyseerd te worden op de
volgende parameters:
- minerale olie (GC);
- aromaten (btex)-,
- zware metalen: zink, lood, nikkel, cadmium, chroom;
- glycol.
Als de monitoringsgegevens daartoe aanleiding geven, kunnen Gedeputeerde Staten eisen stellen teneinde de omvang en frequentie van het monitoringsonderzoek aan te passen. Binnen drie maanden na een schriftelijke aanwijzing dient het monitoringssysteem te zijn gewijzigd respectievelijk dient monitoring plaats te vinden overeenkomstig de aanwijzing.
16 Op verzoek van Gedeputeerde Staten dienen vaste grondmonsters genomen te worden
en onderzocht te worden op de aangegeven parameters.
17 De bemonstering van de peilbuizen, het nemen van grondmonsters en het analyseren
van grondwater- of grondmonsters moet geschieden door een daartoe geëigende
onafhankelijke instantie.e streef- en interventiewaarden uit de Circulaire interventiewaarden.
Tevens dienen de analyseresuitaten te worden vergeleken met de resultaten van eerdere
metingen. De rapportage van het onderzoek dient binnen twee maanden na monsterneming
toegezonden te worden aan Gedeputeerde Staten.
18 Indien naar aanleiding van bodemonderzoek of grondwatermonitoring grond enlof
grondwaterverontreiniging wordt geconstateerd en een grond- en/of grondwatersanering
moet plaatsvinden, mag door het inrichten van het terrein de verontreiniging niet
onbereikbaar en/of verspreid worden.
19 Indien uit monitoring of anderszins blijkt dat de bodem en/of grondwater is verontreinigd
als gevolg van activiteiten van deinrichting kunnen Gedeputeerde Staten binnen twaalf
maanden na ontvangst van de resultaten van het onderzoek, onderscheidenlijk het bij hun
college op andere wijze bekend worden van verontreiniging, verlangen dat de bodem of het
grondwater wordt gesaneerd. Indien de Wet bodembescherming niet van toepassing is op de
wijze van saneren dient sanering plaats te vinden conform door Gedeputeerde Staten te
stellen nadere eisen.
20 Het bepaalde in voorschrift A.19 blijft van kracht gedurende twee jaar na het verlopen van
deze vergunning.
21 Na de sanering als bedoeld in voorschrift A.19 dient een evaluatierapport ter goedkeuring
te worden overgelegd aan Gedeputeerde Staten.
Hierin dient de na sanering van de bodem bereikte kwaliteit te zijn vastgelegd. De in het
goedgekeurde saneringsrapport beschreven situatie treedt na goedkeuring door
Gedeputeerde Staten in de plaats van (het deel) van het nulfaseonderzoek, augustus 1993,
voorzover dit betrekking heeft op het gesaneerde deel van de bodem.
Bedrijfsvoering/good housekeeping
23 Onverwijld na het constateren van lekkages of morsen van bodembelastende vloeistoffen
dienen deze te worden verholpen c.q. opgeruimd.
Hiertoe dient in de inrichting in de nabijheid van plaatsen waar deze stoffen vrij kunnen
komen of worden opgeslagen, voldoende voorzieningen aanwezig te zijn zoals opruimvaten,
absorptiemiddelen en materiaal om lekkages te stoppen. Verontreinigde absorptiematerialen
dienen op een milieuverantwoorde wijze naar een daartoe erkende verwerken te worden
afgevoerd. Personeel dient geïnstrueerd en getraind te zijn in de juiste bediening van
apparatuur en het doeltreffend opruimen van vrijgekomen stoffen en herstel van lekkages.
24 Bodembelastende (vloei)stoffen mogen niet van een vloer van de werkplaats naar buiten
worden geveegd of geschrobd.
25 Bodembelastende vloeistoffen dienen opgeslagen te worden in gesloten vloeistofdichte
verpakking of opslagmiddelen, die bestand zijn tegen de desbetreffende vloeistoffen. Deze
verpakkingen of opslagmiddelen dienen opgesteld te worden in een vloeistofdichte lekbak
waarvan de inhoud gelijk is aan de inhoud van de hierin opgeslagen grootste verpakking,
vermeerderd met 10%.
26 Lege, niet gereinigde emballage dienen bewaard te worden als gevulde emballage.
27 De opslag van K3-vloeistoffen, zoals afgewerkte olie, dieselolie en andere systeemvloeistoffen in een bovengrondse tank, moet plaatsvinden overeenkomstig de richtlijn CPR 9-6 (getiteld 'Vloeibare aardolieproducten; Opslag tot 150 m3 van brandbare
vloeistoffen met een vlampunt van 55 tot 1OO C in bovengrondse tanks', tweede druk 1999).
Indien de bovengrondse tank reeds voor 1 januari 2000 was zijn de voorschriften 4.1.2,
4.1.5, 4.2.6, 4.2.10 en 4.3.1 van CPR 9-6 niet van toepassing.
Voor de voorschriften met betrekking tot de opslag van afgewerkte olie, dieselolie en andere
systeemvloeistoffen wordt verwezen naar CPR 9-6:
- hoofdstuk 4.1 (constructie-eisen voor tanks);
- hoofdstuk 4.2 (constructie-eisen voor leidingen en appendages);
- hoofdstuk 4.3 (installatie voorschriften);
- hoofdstuk 4.4 (gebruiksvoorschriften);
- hoofdstuk 4.5 (voorschriften t.a.v. inspectie, keuring, onderhoud en reparatie);
- hoofdstuk 4.6 (aanvullende voorschriften voor de opslag in dubbelwandige tanks);
- hoofdstuk 4.8. (aanvullende voorschriften voor inpandige opslag).
28 Als de hoeveelheid K1- en K2-vloeistoffen in emballage meer bedraagt dan 25 liter,
dienen deze vloeistoffen met uitzondering van de werkvoorraden die voor een goede
bedrijfsvoering noodzakelijk zijn, te worden bewaard in daarvoor geschikte losse kasten,
bouwkundige kasten, kluizen of opslaggebouw als gedefinieerd in publicatieblad CPR 15-1,
getiteld Opslag van vloeistoffen en vaste stoffen (0 tot 10 ton),uitgave 1994 tweede druk.
Toelichting: De CPR 15-1 en 9-6 richtlijnen zijn te bestellen bij SDU Uitgevers (073) 378 98
80 of via internetwww.sdu.nl)
Voor de voorschriften met betrekking tot de vloeistoffen met een vlampunt lager dan 55 C
wordt verwezen naar CPR 1 5-1:
- hoofdstuk 6 (algemene voorschriften)
- hoofdstuk 7 (kasten)
- hoofdstuk 8 (kluizen);
- hoofdstuk 11 (technische voorzieningen);
- hoofdstuk 12 (persoonlijke bescherming en hygiëne).
29 Oliefilters, accu's en PCB/PCT-houdende condensatoren dienen rechtop te worden
opgeslagen in vloeistofdichte verpakkingen of opslagmiddelen die bestand zijn tegen de in
die onderdelen aanwezige vloeistoffen, zodanig dat geen bodemverontreiniging kan
optreden.
30 Het opladen van accu's moet geschieden op een zuurbestendige, vloeistofdichte vloer en
op een goed geventileerde plaats.
31 Accu's dienen niet bewerkt te worden en dienen gevuld bewaard te worden in een
vloeistofdichte bak van zuurbestendig materiaal en afgevoerd te worden naar een geëigende
inrichting.
32 De vloeistofdichte vloeren en voorzieningen dienen goed onderhouden en regelmatig
geïnspecteerd te worden.
33 Gemorste of gelekte vloeistoffen dienen terstond opgeruimd te worden. Daartoe zijn op
de plaatsen in een inrichting waar zodanige vloeistoffen vrijkomen of worden opgeslagen
voldoende absorptiemiddelen aanwezig.
B AFVAL(STOFFEN)
Kernvoorschriften
Bewerking van autowrakken
Acceptatie
1 Een autowrak mag vóór bewerking uitsluitend worden overgedragen aan:
een inrichting, voor het opslaan van vijf of meer autowrakken; of een inrichting voor het bewerken, verwerken, vernietigen of overslaan van autowrakken, niet zijnde een inrichting die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van een shredderinstallatie, als een zodanige inrichting is aan te merken, indien de in de voorschriften B.2 en B.6 bedoelde stoffen, preparaten of andere producten nog niet zijn afgetapt of gedemonteerd.
Het wrak mag alleen aan bovengenoemde inrichtingen worden afgegeven indien de in de voorschriften B.2 en B.6 bedoelde stoffen, preparaten of andere producten nog niet zijn afgetapt of gedemonteerd.
2 Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen tien werkdagen na de ontvangst van het autowrak dienen de volgende stoffen, preparaten en andere producten (indien aanwezig en rekening houdend met voorschriften A.25 en B.6) uit het autowrak afgetapt en vervolgens opgeslagen te worden:
- motorolie;
- transmissieolie;
- versnellingsbakolie;
- olie uit het differentieel;
- hydraulische olie;
- remvloeistoffen;
- koelvloeistoffen;
- ruitensproeiervloeistoffen;
- airconditioningsvloeistoffen (koeimiddel uit airco);
- benzine-,
- diesel,
of dienen gedemonteerd en vervolgens opgeslagen te worden:
- lpg-tanks, inclusief lpg;
- accu's, inclusief accuzuren;
- oliefilters;
- PCB/PCT- houdende condensatoren;
- batterijen.
3 Vloeistoffen dienen zo goed mogelijk uit leidingen afgetapt te worden. De aftappunten dienen na het aftappen weer zodanig afgesloten te worden, dat er geen bodembedreigende vloeistoffen uit het aftappunt kunnen lekken.
4 Indien dat noodzakelijk is voor het producthergebruik van gedemonteerde onderdelen
dienen de oliën niet uit de desbetreffende onderdelen afgetapt te worden of dient het oliefilter
teruggeplaatst te worden.
5 Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten, als bedoeld in
voorschrift B.2 dienen voorzover dat nodig is voor product- of materiaalhergebruik of nuttige
toepassing afzonderlijk te worden bewaard.
6 Autowrakken dienen binnen de inrichting ontdaan te worden van de volgende stoffen,
preparaten en andere producten:
- banden;
- binnenbanden;
- grotere kunststofonderdelen die als materiaal hergebruikt kunnen worden, zoals bumpers, grilles, wieldoppen, achter- en knipperlichten, instrumentenborden of delen daarvan en vloeistoftanks, indien voor die kunststofonderdelen een mogelijkheid voor materiaalhergebruik bestaat en die kunststofonderdelen in een shredderinstallatie niet zodanig worden gescheiden dat ze als materiaal hergebruikt kunnen worden;minium of magnesium bevatten indien deze metalen niet in de shredderinstallatie worden gescheiden;
- glas, inclusief koplampenglas;
- katalysatoren;
- ontplofbare onderdelen, zoals airbags en gordelspanners, voorzover deze niet onschadelijk zijn gemaakt;
- onderdelen die lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten en als zodanig zijn gecodeerd;
- andere materialen waarvoor economisch haalbare mogelijkheden voor materiaal-hergebruik beschikbaar zijn, zoals rubberstrips, veiligheidsgordels, kokoshaar, polyurethaan-schuim, indien die materialen in een shredderinstallatie niet zodanig worden gescheiden dat ze als materiaal hergebruikt kunnen worden.
Autowrakken dienen tevens te worden ontdaan van stoffen, preparaten en andere producten, anders dan hierboven vermeld, waarvoor aantoonbaar voldoende innamestructuren en verwerkingsmethoden beschikbaar zijn.
7 Afgetapte of gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten, als bedoeld in
voorschrift B.6, dienen in daartoe geschikte opslagmiddelen, zoals stellingen, containers of
zakken, opgeslagen te worden en op een zodanige wijze dat de mogelijkheden voor product-
en materiaalhergebruik en nuttige toepassing niet wordt geschaad.
Gedemonteerde stoffen, preparaten of andere producten, als bedoeld in voorschrift B.6, welke mogelijk verontreinigd kunnen zijn met restanten bodembelastende (vloei)stoffen, dienen opgeslagen te worden boven een vloeistofdichte voorziening, zodanig dat geen bodemverontreiniging kan optreden. Deze opslagvoorzieningen dienen tegen het inregenen te zijn beschermd.
8 Afvalbanden dienen zodanig opgeslagen te worden, dat de gevaren voor en als gevolg
van brand worden geminimaliseerd.
9 Niet voor producthergebruik geschikte stoffen, preparaten of andere producten, waarvoor
wel een mogelijkheid van materiaalhergebruik of nuttige toepassing bestaat, dienen
gescheiden gehouden te worden en gescheiden afgevoerd te worden naar een daartoe
geëigende inrichting.
10 Volle opslagvoorzieningen dienen zo spoedig mogelijk afgevoerd en vervangen te worden
door lege opslagvoorzieningen.
11 Metaalafvallen afkomstig van machines, installaties of onderdelen daarvan, die olie,
vetten of chemicaliën bevatten, dienen na aankomst, met inachtneming van voorschrift B.2,
in de inrichting daarvan ontdaan te worden.
12 Het is verboden metaalafvallen binnen de inrichting af te branden.
13 Het is verboden in de inrichting koelapparaten (koelkasten, vrieskisten e.d.) aan te
voeren, te bewaren en te bewerken, die niet op een deskundige voor het milieu niet
schadelijke wijze zijn ontdaan van koelmiddelen.
14 Vergunninghouder is verplicht op verzoek van Gedeputeerde Staten aan te tonen, dat de
in zijn inrichting aanwezige koelapparaten op de onder voorschrift B.13 aangegeven wijze
van koelmiddelenvloeistoffen/gassen en oliën zijn ontdaan.
15 Behoudens voorzover in deze vergunning anders is bepaald, dienen gevaarlijke
afvalstoffen, zoals bepaald bij of krachtens de Wet milieubeheer, niet in een openbaar riool
gebracht te worden.
16 Het is niet toegestaan een autowrak op een zodanige wijze te pletten, knippen of
anderszins mechanisch te verkleinen dat de identiteit en de inhoud daarvan niet meer
herkenbaar is.
Aanvullende voorschriften
17 Bij (tussentijdse) beëindiging van de bedrijfsactiviteiten of een deel van de
bedrijfsactiviteiten, dienen grond- en hulpstoffen en reststoffen afgevoerd te worden. Drie
maanden voor het daadwerkelijk beëindigen van de bedrijfsactiviteiten of een deel van
de bedrijfsactiviteiten,
- een gedetailleerde beschrijving van de ontmantelingwerkzaamheden;
- een tijdsplanning;
- de te nemen maatregelen ter voorkoming van gevaar, schade of hinder aan derden;
- de te nemen maatregelen ter voorkoming van bodemverontreiniging.
18 Het is verboden afvalstoffen te verbranden, op of in de bodem te brengen of permanent
op te slaan.
19 De in voorschrift B.11 bedoelde reststoffen dienen verzameld te worden en afgevoerd te
worden naar een daartoe geëigende inrichting. Het verzamelen, opslaan en afvoeren van
deze reststoffen moet zodanig geschieden dat lekken en morsen wordt voorkomen.
Ongewenste reacties van de stoffen onderling dienen voorkomen te worden.
20 Binnen de inrichting aanwezige afvalstoffen dienen slechts opgeslagen te worden voor
een termijn van ten hoogste één jaar.
21 In afwijking van voorschrift B.20 dienen afvalstoffen, waarvoor een nuttige toepassing
bestaat en de vergunninghouder kan aantonen dat de opslag van afvalstoffen door een
nuttige toepassing wordt gevolgd, binnen de inrichting opgeslagen te worden voor een
termijn van ten hoogste drie jaar.
Registratie
22 De vergunninghouder is verplicht een dagelijkse registratie bij te houden van:
a de aangevoerde autowrakken (datum, chassisnummer, type auto, herkomst);
b de afgevoerde autowrakken (datum, chassisnummer, type auto, bestemming);
c de afgevoerde vloeistoffen (datum, hoeveelheid, vervoerden, naam verwerken);
d de afgevoerde afvalstoffen (datum, hoeveelheid, bestemming);
e de voorraad op 31 december van ieder jaar van de onder a tot en met d genoemde
(vloei)stoffen en materialen;
f de inspecties van en schoonmaakwerkzaamheden aan de slibvanger, olieafscheider en
de overige onderdelen van het rioleringssysteem.
23 Het jaaroverzicht van de conform voorschrift B.22 geregistreerde gegevens (ook het
kenteken en chassisnr. etc.) dient voor 1april van het daaropvolgende kalenderjaar binnen
de eerste maand van het daaropvolgende kalenderjaar toegezonden te worden aan
Gedeputeerde Staten en dient te allen tijde op verzoek van ambtenaren van de dienst Milieu
en Water, die zich als toezichthouders kunnen legitimeren, te worden getoond.
24 Vergunninghouder dient de administratie als bedoeld in voorschrift B.22 ten minste vijf
jaar te bewaren binnen de inrichting en op een daartoe strekkend verzoek van Gedeputeerde
Staten ter beschikking te stellen.
25 Bij de ontvangst van een autowrak met een kenteken dat verstrekt is door een in een
andere lidstaat van de Europese Unie daartoe aangewezen instantie, wordt desgevraagd
aan degene die zich van dat autowrak ontdoet een certificaat van vernietiging als bedoeld in
artikel 5, derde lid, van de autowrakkenrichtlijn afgegeven, waarin in ie |