Raad van State
Raad
van State
No. BO5.91.0914.
Datum uitspraak: 16 december 1991.
AFDELING VOOR DE
GESCHILLEN VAN BESTUUR
Beschikking van de Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van
de Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op
de Raad van State in het geschil tussen:
P. van Steijn-van Iperen te Rhenoy (verzoekster)
en
gedeputeerde staten van Gelderland (verweerders).
Overzicht van het geschil
Verweerders hebben bij beschikking van 25 juli 1991, nummer MW91.28913-MW2404, besloten geen
bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de illegale snijbrandwerkzaamheden buiten de werkplaats
van de Autowrakkeninrichting Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat te Rhenoy, mits nader gestelde voorwaarden
worden nageleefd. De beschikking van verweerders is aan deze uitspraak gehecht.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster bij schrijven van28 augustus 1991 beroep ingesteld.
Het beroepschrift is aan deze uitspraak gehecht.
Daarnaast heeft verzoekster bij schrijven van gelijke datum verzocht de beschikking van verweerders van
25 juli 1991 te schorsen dan wel een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat onevenredig nadeel wordt voorkomen. Het verzoekschrift is aan deze uitspraak gehecht.
Bij het verhoor, bedoeld in artikel 108 van de Wet op de Raad van State, op 12 december 1991 hebben
verzoekster, vergezeld van mr. F. van der Brug, en verweerders, vertegenwoordigd door H.C.A. Hendriks
en B.A.M. Kolle, hun standpunten nader toegelicht. Voorts is, namens Autowrakkeninrichting Rhenoy B.V.,
mr. J.G.P.M. van Rensch gehoord.
In rechte
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Wet op de Raad van State dient te worden nagegaan of de uitvoering
van het besluit van verweerders voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding
tot het door een onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit te dienen belang.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel
van de Voorzitter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.
Bij beschikking van 25 juli 1991 hebben verweerders besloten geen, bestuursdwang toe te passen
ten aanzien van de illegale snijbrandwerkzaamheden buiten de werkplaats van de
Autowrakkeninrichting Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat te Rhenoy, mits nader gestelde voorwaarden worden nageleefd.
Met betrekking tot de bevoegdheid overweegt de Voorzitter het volgende.
Verzoekster heeft tegen genoemde beschikking op grond van artikel 7, tweede lid, van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen een bezwaarschrift bij verweerders ingediend. Voorts heeft zij zich met een verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State gericht tot de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak.
Zoals de Voorzitter onlangs ter zake van een aanschrijving op grond van artikel 116 van de Provinciewet heeft overwogen in een uitspraak van 3 oktober 1991, no. BO5.91.0913, moet uit de bepalingen van de Wet dwangsom (wet van 3 september 1990, Stb. 1990, 478) worden afgeleid dat het oogmerk van de wetgever is geweest geschillen inzake besluiten houdende toepassing van administratieve sancties ten aanzien van de in artikel 61an van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne genoemde milieuwetten te laten beslechten door de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State.
Nu het in casu gaat om een besluit inzake het al dan niet aanschrijven op grond van artikel 116
van de Provinciewet ten aanzien van de Afvalstoffenwet, ligt het in de rede dat de Afdeling voor
de geschillen van bestuur zich bevoegd zal verklaren kennis te nemen van dit geschil.
Daarbij gaat de Voorzitter ervan uit dat de Afdeling voor de geschillen van bestuur voor wat betreft de procedurele aspecten van dergelijke geschillen aansluiting zal zoeken bij het bepaalde in artikel 56a, eerste lid, onder f, van de
Wet algemene bepalingen milieuhygiëne, juncto het tweede lid van dit artikel en verder dat in dit geval het bij verweerders ingediende bezwaarschrift zal worden aangemerkt als beroepschrift.
Een en ander in aanmerking genomen ziet de Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur voldoende aanleiding om op het thans voorliggende verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State
te beslissen.
Ten aanzien van het verzoek zelve overweegt de Voorzitter als volgt.
Op grond van artikel 116, eerste lid, van de Provinciewet kunnen gedeputeerde staten op kosten der overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in vorige toestand herstellen van hetgeen in strijd met nader aangeduide wetten, algemene maatregelen van bestuur en besluiten van het provinciaal bestuur is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.
Voor de onderhavige inrichting is op 8 februari 1983 een vergunning onder voorschriften ingevolge de Hinderwet verleend door burgemeester en wethouders van Geldermalsen.
Genoemde vergunning is bij Koninklijk besluit van 29 april 1985, no. 65, gewijzigd.
Daarbij is het aan de vergunning verbonden voorschrift A.9 als volgt komen te luiden:
De in voorschrift 5 bedoelde werkzaamheden mogen uitsluitend binnen de werkplaats worden verricht, waarbij ramen en deuren gesloten dienen te zijn: deuren mogen dan slechts voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen zijn geopend.
Voorschrift (A)5 spreekt van voor de omgeving hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden als bijvoorbeeld slijpen, schuren, uitdeuken en hameren.
Vaststaat dat buiten de werkplaats snijbrandwerkzaamheden plaatsvinden.
Aangezien deze werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als hinderlijk of geraasmakend, moet ervan worden uitgegaan dat voorschrift A.9 niet wordt nageleefd.
Blijkens de stukken acht vergunninghoudster het buiten werken met een snijbrander onvermijdelijk, enerzijds vanwege een praktische bedrijfsvoering en anderzijds om te voorkomen dat de in de voorschriften A.6 en A.7 gestelde geluidgrenswaarden worden overschreden.
Indien alle snijbrandwerkzaamheden binnen zouden moeten worden verricht zou door het overbrengen van wrakken naar de werkplaats het aantal verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting aanzienlijk toenemen waardoor de geluidgrenswaarden niet meer zouden kunnen worden nageleefd, aldus vergunninghoudster.
Verweerders hebben zich niet ongevoelig getoond voor deze argumenten. In de bestreden beschikking hebben zij van vergunninghoudster verlangd dat er binnen 5 maanden een akoestisch onderzoek wordt verricht, ten einde aan te tonen dat het buiten verrichten van snijbrandwerkzaamheden niet leidt tot een overschrijding van de geluidnormen.
In afwachting van de resultaten van dit onderzoek zullen zij, totdat de beslissing op de door vergunninghoudster ingediende aanvraag om een nieuwe (Afvalstoffenwet-) vergunning van kracht is, afzien van het treffen van bestuurlijke maatregelen tegen de snijbrandwerkzaamheden buiten de werkplaats, onder de voorwaarde dat deze werkzaamheden, mede gelet op mogelijke stankhinder, niet plaatsvinden binnen een straal van 80 m van enige niet tot de inrichting behorende woning.
Verzoekster stelt onevenredig nadeel te ondervinden van de onmiddellijke uitvoering van de beschikking.
Naar haar mening dienen de hinderlijke werkzaamheden zo snel mogelijk te worden beëindigd.
De Voorzitter stelt vast dat het in de beschikking van vergunninghoudster verlangde akoestisch onderzoek inmiddels is verricht.
Bij de beoordeling van de mate van nadeel aan de zijde van verzoekster kan daaraan thans niet worden voorbijgegaan. In het onderzoek - waarvan niet is gebleken dat uitgangspunten en berekeningen onjuist zijn - wordt geconcludeerd dat voor de geluidbelasting bij de woning, niet het snijbranden maar het transport op het terrein van de inrichting bepalend is.
Vanwege het snijbranden vindt geen overschrijding van de geluidgrenswaarden plaats.
Indien, zo is voldoende aannemelijk geworden, het snijbranden in de werkplaats zal moeten plaatsvinden zal de daarmee gepaard gaande toename van het aantal voertuigbewegingen ernstige geluidhinder veroorzaken.
Strikte naleving van de aan de vergunning verbonden voorschriften zal in deze bijzondere situatie derhalve leiden tot meer geluidhinder dan in de huidige situatie.
Bovendien behoeft voor stankhinder, gelet op de in de gedoogbeschikking gestelde afstandseis van 80 m, naar het de Voorzitter voorkomt, in de huidige situatie niet te worden gevreesd. Onder deze omstandigheden en bij afweging van de betrokken belangen is de Voorzitter van oordeel dat verweerders zich op het standpunt hebben kunnen stellen tijdelijk geen gebruik te maken van hun bestuursdwangbevoegdheid.
Daarbij neemt de Voorzitter in aanmerking dat inmiddels de ontwerp-beschikking van de te verlenen nieuwe vergunning is gepubliceerd, zodat verwacht mag worden dat op zeer korte termijn een definitieve aangepaste vergunning zal kunnen worden verleend.
Nu niet kan worden gesproken van een zodanig onevenredig nadeel voor verzoekster dat schorsing van de bestreden beschikking is aangewezen, moet het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State worden afgewezen.
Beslissing:
De Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur,
Gezien de Tijdelijke wet Kroongeschillen en de Wet op de Raad van
State;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State af.
Gedaan te 's-Gravenhage, 16 december 1991,
De Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur,
w.g. Veringa
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
G.A.M. Keersemaker
No. B05.91.0914.
Verzonden 27 jan. 1992
___________________________________________________________________________
Raad
vanState
No. GO5.91.1421.
Datum uitspraak: 3 mei 1993.
AFDELING VOOR DE
GESCHILLEN VAN BESTUUR
Uitspraak in het geschil tussen:
P. van Steijn-van Iperen te Rhenoy (appellante)
en
gedeputeerde staten van Gelderland (verweerders).
Overzicht van het geschil
Bij beschikking van 25 juli 1991, nummer MW91.28913-MW2404, hebben verweerders besloten geen bestuursdwang toe te passen ten aanzien van de illegale snijbrandwerkzaamheden buiten de werkplaats van de Autowrakkeninrichting Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat te Rhenoy, kadastraal bekend gemeente Beesd, sectie F, nummers 242 - 693, mits
nader gestelde voorwaarden worden nageleefd.
De beschikking van verweerders van 25 juli 1991 is aan deze uitspraak gehecht.
Tegen deze beschikking heeft appellante een bezwaarschrift ingediend bij gedeputeerde staten van Gelderland, die dit bezwaarschrift ter verdere behandeling hebben doorgezonden aan de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State.
Het als beroepschrift aan te merken bezwaarschrift is aan deze uitspraak gehecht.
Desgevraagd hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
Het geschil is op 23 april 1993 behandeld in een openbare vergadering van een Enkelvoudige Kamer van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State, waarin appellante, vertegenwoordigd door mr. F. van der Brug en verweerders bij monde van B.A.M. Kolle, hun standpunten nader hebben toegelicht.
Tevens is namens Autowrakkeninrichting Rhenoy B.V. het woord gevoerd door mr. J.G.P.M. van Rensch.
In rechte
Met ingang van 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden.
Gelet op artikel XXII, achtste lid, van de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichtingen, procedures voor vergunningen en ontheffingen, handhaving) (Stb. 1992, 414) moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 maart 1993 geldende recht.
Bij de bestreden beschikking hebben verweerders besloten af te zien van het treffen van bestuurlijke maatregelen ten aanzien van de illegale snijbrand- en hakwerkzaamheden buiten de werkplaats van de autowrakkeninrichting Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat 10 te Rhenoy, mits deze werkzaamheden niet plaatsvinden binnen een straal van 80 m van enige niet tot de inrichting behorende woning en Rhenoy B.V. binnen vijf maanden door middel van een akoestisch
onderzoek aantoont dat de geluidgrenswaarden neergelegd in de voorschriften A6 en A7 niet worden overschreden.
Appellante kan zich met deze beschikking niet verenigen op de in haar beroepschrift nader aangegeven gronden.
Met betrekking tot de bevoegdheid.
In de bestreden beschikking is niet aangegeven welke maatregelen verweerders niet zullen toepassen.
Naar moet worden aangenomen is gedoeld op de in artikel 116 van de Provinciewet opgenomen bestuursdwangbevoegdheid.
Bij uitspraak van de Afdeling van 4 juni 1992, no. G05.92.0152, heeft de Afdeling zich bevoegd verklaard kennis te nemen van geschillen met betrekking tot beschikkingen inzake het toepassen van bestuursdwang, dan wel de weigering daarvan, op grond van artikel 116 van de Provinciewet in het kader van de in artikel 61an van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne genoemde milieuwetten.
Daarbij is tevens overwogen dat voor wat betreft de procedurele aspecten aansluiting wordt gezocht bij artikel 56A, eerste lid, onder f, juncto het tweede lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne.
Onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak neemt de Afdeling het beroepschrift in behandeling.
Met betrekking tot de zaak ten gronde.
Op grond van artikel 116, eerste lid, van de Provinciewet kunnen gedeputeerde staten op kosten van de overtreders doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand herstellen hetgeen in strijd met nader aangeduide wetten, algemene maatregelen van bestuur en besluiten van het provinciaal bestuur is of wordt gehouden, gemaakt of gesteld, ondernomen, nagelaten, beschadigd of weggenomen.
Appellante heeft bepleit de gedoogbeschikking te vernietigen en de naleving af te dwingen van de voorschriften, verbonden aan de vergunning ingevolge de Hinderwet, verleend bij beschikking van 8 februari 1983 en in het bijzonder van voorschrift A.9, dat bij Koninklijk besluit van 29 april 1985, no. 65, gewijzigd is vastgesteld.
Volgens haar vinden buiten de werkplaats regelmatig snijbrandwerkzaamheden plaats waarbij
tevens wordt gehakt.
Zij stelt als gevolg daarvan geluid- en stankoverlast te ondervinden.
Voor de onderhavige inrichting is op 8 februari 1983 een vergunning onder voorschriften ingevolge de Hinderwet verleend door burgemeesteren wethouders van Geldermalsen.
Genoemde vergunning is bij Koninklijk besluit van 29 april 1985, no. 65, gewijzigd.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit autowrakkeninrichtingen dient in dit geval de vergunning verleend krachtens de Hinderwet gelijk te worden gesteld met een vergunning verleend op grond van de Afvalstoffenwet, omdat Rhenoy B.V. binnen de voorgeschreven termijn op 7 januari 1991 - een aanvraag om een vergunning ingevolge de Afvalstoffenwet heeft ingediend.
Het aan de vorenbedoelde vergunning verbonden voorschrift A9 luidtals volgt:
De in voorschrift 5 bedoelde werkzaamheden mogen uitsluitend binnen de werkplaats worden verricht, waarbij ramen en deuren gesloten dienen te zijn: deuren mogen dan slechts voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen zijn geopend.
Voorschrift A.5 spreekt van voor de omgeving hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden als bijvoorbeeld slijpen, schuren, uitdeuken en hameren.
Vast staat dat buiten de werkplaats snijbrand- en hakwerkzaamheden plaatsvinden.
Aangezien deze werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als hinderlijk of geraasmakend, moet ervan worden uitgegaan dat voorschrift A.9 niet wordt nageleefd.
Rhenoy B.V. heeft gesteld voorschrift A.9 niet te kunnen naleven. Zij heeft naar voren gebracht dat het praktisch gezien nagenoeg onmogelijk is elk autowrak waaraan snijbrandwerkzaamheden moeten worden verricht naar de werkplaats te brengen.
Daarnaast is het in dat geval volgens haar niet mogelijk de geluidgrenswaarden in de voorschriften A.6 en A.7 na te leven in verband met de toename van het aantal verkeersbewegingen op het terrein van de inrichting die plaatsvindt.
De Afdeling overweegt ter zake het volgende.
Als uitgangspunt moet gelden dat in het kader van de handhaving tegen niet-naleving van vergunningvoorschriften wordt opgetreden. Daarbij kan in gevallen als thans aan de orde met toepassing van artikel 116 van de Provinciewet bestuursdwang worden uitgeoefend. Niettemin kunnen zich bepaalde uitzonderlijke situaties voordoen waarin onder afweging van alle daarbij betrokken belangen van handhaving door middel van bestuursdwang kan worden afgezien.
Naar het oordeel van de Afdeling is het, op grond van de stukken en het verhandelde ter openbare vergadering, niet onaannemelijk, dat in casu de naleving van voorschrift A.9 uit praktisch oogpunt op bezwaren stuit.
Anderzijds stelt de Afdeling vast, dat er ten tijde van het nemen van de bestreden beschikking onvoldoende inzicht bestond in de milieuhygiënische gevolgen van het niet naleven van voorschrift A.9. Met name was niet duidelijk, of het verrichten van snijbrand- en hakwerkzaamheden op het open terrein niet zou leiden tot overschrijding van de in de voorschriften A.6 en A.7 neergelegde geluidgrenswaarden.
Naar het oordeel van de Afdeling hadden verweerders een akoestisch onderzoek moeten verlangen, alvorens te besluiten de onderhavige activiteiten te gedogen.
Nu zij dit achterwege hebben gelaten, moet worden geoordeeld dat verweerders de bestreden beschikking niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid en genomen.
Gelet op het vorenoverwogene dient de bestreden beschikking te worden vernietigd op de grond genoemd in artikel 2, eerste lid, onder d, van de Tijdelijke wet Kroongeschillen.
Beslissing:
De Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State; Gezien de Tijdelijke wet Kroongeschillen, de Wet op de Raad van State, de Hinderwet, de Afvalstoffenwet en de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne;
Recht doende in naam der Koningin:
vernietigt de beschikking van verweerders van 25 juli 1991.
Aldus vastgesteld te 's-Gravenhage op 3 mei 1993 door drs. M.W.M. Vos-van Gortel, Lid van
de Enkelvoudige Kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, Ambtenaar van Staat.
w.g. mr. P.A. Melse w.g. drs. M.W.M. Vos-van Gortel
Ambtenaar van Staat. Lid van de Enkelvoudige Kamer.
1
Uitgesproken in het openbaar, overeenkomstig artikel 100, eerste lid, van de Wet op de
Raad van State.
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State, voor deze,
P.S. Jacobs
No. GO5.91.1421.
Verzonden: 02 juni 1993
_____________________________________________________________________________
Raad
vanState
No. BO5.93.0352.
Datum uitspraak: 28 juni 1993.
INGEKOMEN - 8 SEP. 1993
AFDELING VOOR DE
GESCHILLEN VAN BESTUUR
Beschikking van de Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur van de
Raad van State op het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad
van State in het geschil tussen:
P. van Steijn-van Iperen te Rhenoy (verzoekster)
en
gedeputeerde staten van Gelderland (verweerders).
Overzicht van het geschil
Verweerders hebben bij beschikking van 26 januari 1993, no. MW91.6465-6021081, aan H.J. Story, een vergunning
onder voorschriften ingevolge de Afvalstoffenwet verleend voor een periode van tien jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd tot het bewaren en bewerken van autowrakken annex houthandel ten behoeve van het bedrijf Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy.
Tegen deze beschikking heeft verzoekster bij schrijven van 16 maart 1993, aangevuld bij schrijven van 26 april 1993, beroep ingesteld.
Daarnaast heeft verzoekster bij schrijven van gelijke datum verzocht de beschikking van verweerders van 26 januari 1993 te schorsen dan wel een zodanige voorlopige voorziening te treffen dat onevenredig nadeel wordt voorkomen.
Bij het verhoor, bedoeld in artikel 108. van de Wet op de Raad van State, op 22 juni 1993, heeft verzoekster, die in persoon is verschenen, zich doen vertegenwoordigen door mr. F. van der Brug. Namens verweerders heeft B.A.M. Kolle het woord gevoerd. Voorts heeft mr. J.G.P.M. van Rensch het standpunt van vergunninghouder, die in persoon aanwezig was, nader uiteengezet.
In rechte
Ingevolge artikel 107, eerste lid, van de Wet op de Raad van State dient te worden nagegaan of de uitvoering van het besluit van verweerders voor verzoekster een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering van bedoeld besluit te dienen belang.
Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de Voorzitter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.
Met ingang van 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden.
Gelet op artikel XXII, vierde lid, van de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en algemene regels voor inrichting, procedures voor vergunningen en ontheffingen, handhaving) (Stb. 1992, 414) moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 maart 1993 geldende recht.
Bij de bestreden beschikking hebben verweerders aan H.J. Story, een vergunning onder voorschriften ingevolge de Afvalstoffenwet verleend voor een periode van tien jaar voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting bestemd tot het bewaren en bewerken van autowrakken annex houthandel ten behoeve van het bedrijf Rhenoy B.V. aan de Dorpsstraat
2 en 10 te Rhenoy.
Verzoekster, omwonende, kan zich niet met de bestreden beschikking verenigen.
Zij stelt stank- en geluidhinder van de inrichting te ondervinden. Zij meent dat voor de
omgeving hinderlijke en geraasmakende werkzaamheden slechts in de werkplaatsen mogen plaatsvinden en niet op het terrein van de inrichting, in verband waarmede zij heeft verzocht de tweede alinea van het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.6 te schorsen.
De Voorzitter overweegt het volgende.
In voornoemd voorschrift 3.6 is onder meer bepaald dat voor de omgeving hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden, zoals bijvoorbeeld slijpen, schuren, uitdeuken, hameren en dergelijke binnen de werkplaatsen dienen te worden verricht, waarbij ramen en deuren gesloten dienen te zijn. Deuren mogen slechts voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen zijn geopend. Deze werkzaamheden mogen echter buiten de werkplaats worden verricht, indien door middel van een akoestisch rapport, uitgevoerd door een daartoe geëigende onafhankelijke instantie, vooraf aan de directeur van de dienst Milieu en Water van de provincie Gelderland wordt aangetoond dat de geluidproduktie daarbij beneden de in voorschriften 3.19 en 3.20 genoemde waarden blijft.
Tijdens het verhoor is gebleken dat een dergelijk akoestisch rapport nog niet is overgelegd aan de directeur van de genoemde dienst. Mitsdien mogen de hinderlijke en geraasmakende werkzaamheden ingevolge de bestreden beschikking thans slechts binnen de werkplaatsen worden verricht.
Ingevolge voorschrift 3.19 mag het equivalents geluidniveau (LAeq) vanwege de inrichting ter plaatse van woningen van derden niet meer bedragen dan respectievelijk 45, 40 en 35 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.
De van de inrichting afkomstige piekgeluiden mogen ingevolge voorschrift 3.20 in die perioden ter plaatse van woningen van derden niet meer bedragen dan respectievelijk 65, 60 en 55 dB(A).
Deze waarden acht de Voorzitter toereikend om onevenredig nadeel voorverzoekster te voorkomen.
Uit voorschrift 3.6 blijkt dat die geluidgrenswaarden ook bij het verrichten van hinderlijke en geraasmakende activiteiten buiten de werkplaats niet mogen worden overschreden en vergunninghouder voor de aanvang van die activiteiten met een akoestisch rapport zal moeten aantonen dat van overschrijding geen sprake zal zijn.
Gelet hierop is de Voorzitter van oordeel dat voorschrift 3.6 in de bestaande vorm niet leidt tot onevenredig nadeel voor verzoekster.
Gelet op het vorenstaande komt het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de
Raad van State niet voor inwilliging in aanmerking.
Beslissing:
De Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur,
Gezien de Tijdelijke wet Kroongeschillen en de de Wet op de Raad van
State;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 107 van de Wet op de Raad van State af.
Gedaan te 's-Gravenhage, 28 juni 1993,
De Voorzitter van de Afdeling voor de geschillen van bestuur,
w.g. Leyten-de Wijkerslooth, waarnemend Voorzitter.
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
G.A.M. Keersemaker
No. B05.93.0352.
_____________________________________________________________________________
Raad
vanState
No. G05.93.3107.
Datum uitspraak: 11 mei 1995.
AFDELING VOOR DE
GESCHILLEN VAN BESTUUR
Uitspraak in het geschil tussen:
P. van Steyn-van Iperen te Rhenoy (appellante)
en
gedeputeerde staten van Gelderland (verweerders).
Bij beschikking van 8 november 1993 hebben verweerders het verzoek van appellante om toepassing van bestuursdwang ten aanzien van de autosloperij op het perceel Dorpsstraat 2 en 10 afgewezen.
De beschikking is aan deze uitspraak gehecht.
Hiertegen heeft appellante beroep ingesteld Het beroepschrift is aan deze beschikking gehecht.
Desgevraagd hebben verweerders een verweerschrift ingediend en heeft de Adviseur Beroepen Milieubeheer
een advies uitgebracht.
Het geschil is op 11 april 1995 behandeld in een openbare vergadering van de Afdeling, waarin appellante,
bij monde van mr F. van der Brug, en verweerders, vertegenwoordigd door B.A.M. Kolle en ing W.J. Verheijen,
hun standpunten hebben toegelicht.
Namens vergunninghoudster heeft voorts mr J.G.P.M. van Rensch het woord gevoerd.
In rechte
Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de
rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet,
de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wetadministratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie), Stb. 1993, 650. Uit de in
deel 6, artikel I, van deze wet neergelegde overgangsbepalingen volgt dat het geschil dient te worden
behandeld met toepassing van het recht dat gold vóór 1 januari 1994, behoudens ten aanzien van de regeling
inzake de proceskostenveroordeling in artikel 8:75 van de Algemene wetbestuursrecht.
Met ingang van 1 maart 1993 is de Wet milieubeheer in werking getreden.
Gelet op artikel XXII, achtste lid, van de Wet van 2 juli 1992 tot uitbreiding en wijziging van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne en daarmee samenhangende wijzigingen van andere wetten (vergunningen en
algemene regels voor inrichtingen, procedures voor vergunningen en ontheffingen, handhaving) (Stb. 1992, 414) moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van het voor 1 maart 1993 geldende recht.
Bij de bestreden beschikking hebben verweerders het verzoek van appellante om toepassing van
bestuursdwang ten aanzien van de autosloperij aan de Dorpsstraat 2 en 10 afgewezen.
Appellante kan zich niet met de bestreden beschikking verenigen. Zij stelt dat de geluidvoorschriften
verbonden aan de vigerende vergunning ingevolge de Afvalstoffenwet worden overtreden.
Zij voert verder gemotiveerde bezwaren aan tegen de na de bestreden beschikking gehouden controlemeting.
De Afdeling overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 18.8, eerste lid, van de Wet milieubeheer behoort tot de uitoefening van bestuursdwang
krachtens de artikelen 152 van de gemeentewet, 116 van de Provinciewet, 61 van de Waterschapswet
en 18.7 van deze wet, ter uitvoering van het bij of krachtens een betrokken wet bepaalde, in ieder geval
mede de bevoegdheid de maatregelen te treffen, die nodig zijn om verdere nadelige gevolgen van de
betrokken overtreding voor het milieu te voorkomen of, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen, ze
zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Met betrekking tot het in voorschrift 3.6 van de vergunning vervatte verbod de in dit voorschrift genoemde werkzaamheden buiten de werkplaats te verrichten zolang niet door middel van een akoestisch rapport is aangetoond dat aan de voorgeschreven geluidgrenswaarden wordt voldaan overweegt de Afdeling als volgt. Appellante heeft in haar verzoek om het nemen van handhavingsmaatregelen van 8 oktober 1993 gesteld dat, hoewel het hierboven bedoelde akoestisch rapport niet voorhanden was, de bedoelde werkzaamheden regelmatig buiten de werkplaats werden verricht. Zij heeft dit evenwel niet onderbouwd. De stelling van verweerders dat bij onaangekondigde controlebezoeken geen overtreding van voorschrift 3.6 is geconstateerd is door appellante niet weerlegd.
In zoverre hebben verweerders zich derhalve terecht onbevoegd tot het nemen van handhavingsmaatregelen geacht.
Verweerders hebben verder gesteld dat uit berekeningen uit het rapport van juni 1993 blijkt dat de
geluidvoorschriften met 3 dB(A) worden overschreden door de in de inrichting gebruikte transportmiddelen. Verweerders waren aldus in zoverre wel bevoegd bestuursdwang aan te zeggen.
De Afdeling overweegt vervolgens dat het toepassen van bestuursdwang geen verplichting doch een bevoegdheid
is, tot de uitoefening waarvan verweerders slechts behoren over te gaan na - zorgvuldige - afweging van de
betrokken belangen.
In het genoemde rapport van juni 1993 wordt gesteld dat de overschrijding van 3 dB(A) teniet kan worden gedaan
door stillere transportmiddelen te gebruiken en/of door het plaatsen van hoge(re) afscherming tussen de open loods
en de hal.
In de bestreden beschikking stellen verweerders bij vergunninghoudster op deze maatregelen aangedrongen te hebben. De Afdeling begrijpt het standpunt van verweerders aldus, dat zij van mening waren dat de vergunninghoudster op korte termijn de noodzakelijke maatregelen zou treffen om aan de voorschriften te voldoen. Naar het oordeel van de Afdeling hebben verweerders gelet op de stukken op goede gronden aangenomen dat de geconstateerde overtreding spoedig door de vergunninghoudster ongedaan zou worden gemaakt, zodat zij in redelijkheid tot hun bestreden beschikking hebben kunnen komen. Voor zover de bezwaren gericht zijn tegen de controlemeting van november 1993 is de Afdeling van oordeel dat deze dateren van na de bestreden
beschikking en als zodanig niet kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van de bestreden beschikking.
De bezwaren zijn mitsdien tevergeefs opgeworpen.
Ter openbare vergadering heeft appellante beeld- en geluidmateriaal getoond waaruit volgens haar blijkt dat werkzaamheden op het buitenterrein worden verricht.
Blijkens de op de video aangebrachte data dateren deze ter zitting naar voren gebrachte feiten van na de bestreden beschikking en kunnen als zodanig evenmin bij de beoordeling van de beschikking kunnen worden meegenomen.
Voor zover appellante meent dat hiermee is aangetoond dat vergunninghoudster werkzaamheden verricht op het buitenterrein, welke daar volgens de geldende vergunning niet mogen worden verricht, overweegt de Afdeling dat
er inmiddels een akoestisch rapport als bedoeld in voorschrift 3.6 is opgesteld. In beginsel is het verrichten van
deze werkzaamheden op het buitenterrein dus nu geoorloofd, voorzover uit dit rapport blijkt dat aan de gestelde geluidgrenswaarden wordt voldaan. Indien appellante meent dat dit niet uit dit rapport kan worden afgeleid, kan
zij zich nogmaals met een verzoek om handhaving van de voorschriften tot verweerders richten.
De Afdeling acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;
Recht doende in naam der Koningin:
verwerpt het beroep.
Aldus vastgesteld te Den Haag op 11 mei 1995 door mr J.J.M.S. Leyten de Wijkerslooth,
Voorzitter, mr H. Beekhuis, mr V.N.M. Korte-van Hemel, Leden, in tegenwoordigheid
van mr J.L. Verbeek, ambtenaar van Staat.
w.g. Verbeek w.g. Leyten-de Wijkerslooth
ambtenaar van Staat Voorzitter
Uitgesproken in het openbaar, overeenkomstig artikel 100, eerste lid, van de Wet
op de Raad van State.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
No. G05.93.3107/114 239.
Verzonden: 31 mei 1995
_____________________________________________________________________________
Raad
vanState
E03.98.0605.
Datum uitspraak:13 JAN. 2000
AFDELING VOOR DE
GESCHILLEN VAN BESTUUR
Uitspraak in het geding tussen:
P. van Steyn-van lperen te Rhenoy, appellante,
en
gedeputeerde staten van Gelderland, verweerders.
E03.98.0605
1 . Procesverloop
Bij besluit van 16 mei 1997, kenmerk MW97.8273-6095041, hebben verweerders afwijzend beslist op een verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Rhenoy B.V." in de Dorpsstraat 2 en 10 te Rhenoy.
Bij besluit van 17 maart 1998, kenmerk MW97.8273-6095041, verzonden op 30 maart 1998, hebben
verweerders het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 27 april 1998, bij de Raad van State ingekomen op 29
april 1998, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 3 juni 1998. Deze brieven zijn
aangehecht.
Bij brief van 2 juli 1998 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 1999, waar appellante in persoon en bijgestaan door M.H. van Steyn, gemachtigde, en verweerders, vertegenwoordigd door B.A.M. Kolle, ambtenaar van de provincie,zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H.J. Story en N.W.J. van Kessel, gemachtigden.
De Afdeling heeft verweerders ter zitting verzocht om nadere stukken. Deze zijn na de zitting ontvangen en aan de andere partijen toegezonden. Naar aanleiding daarvan zijn nog stukken ontvangen van appellante.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting verder behandeld op 6 oktober 1999, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr F. van der Brug, advocaat te Utrecht, en verweerders, vertegenwoordigd door B.A.M. Kolle, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door H.J. Story, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Appellante voert aan als formeel bezwaar dat de procedure ter voorbereiding van het
bestreden besluit niet zorgvuldig is verlopen, omdat verweerders en vergunninghoudster op 14 april
1997 in haar afwezigheid en zonder dat daarvan schriftelijk verslag is gedaan, wederom de video-
opnamen hebben bekeken die zij heeft gemaakt van bepaalde activiteiten in de onderhavige inrichting.
Vast staat dat de vorengenoemde video-opnamen op 12 december 1996 door appellante,
verweerders en vergunninghoudster gezamenlijk zijn bekeken. Vast staat voorts dat verweerders
en vergunninghoudster deze video-opnamen op 14 april 1997 nogmaals hebben bekeken.
De Afdeling is van oordeel dat verweerders in overeenstemming met de daarbij vereiste
zorgvuldigheid hebben gehandeld door de video-opnamen van appellante te vertonen in het bijzijn
van alle partijen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de belangen van appellante niet zijn geschaad door de omstandigheid dat deze video-opnamen daarna nogmaals zijn bekeken door verweerders en vergunninghoudster, in afwezigheid van appellante. Het bezwaar kan derhalve
niet slagen.
2.2. Gelet op het beroepschrift en het behandelde ter zitting houdt de Afdeling het er voor dat appellante voorts de volgende beroepsgronden heeft aangevoerd. Appellante betoogt dat de omvang van het terrein waar ingevolge voorschrift 3.6 niet met de twee heftrucks en de Dodge Beep (takelwagen) dient te worden gereden, door verweerders te beperkt wordt opgevat. Appellante betoogt tevens dat verweerders moeten garanderen dat het voorterrein van de inrichting niet meer in strijd met de vergunning zal worden gebruikt.
Verweerders staan op het standpunt dat de vigerende vergunning niet wordt overtreden, zodat zij niet bevoegd zijn handhavend op te treden. Daarbij stellen zij dat het terrein waar ingevolge voorschrift 3.6 niet met de twee heftrucks en de Dodge Beep (takelwagen) dient te worden gereden, het driehoekige gedeelte betreft tussen de langs de erfscheiding gelegen open loods en de werkplaats/opslagruimte binnen het op de tekening nummer D 0485-1 2-001-36met rood omlijnde gebied. Voorts stellen zij dat het voorterrein van de inrichting niet in strijd met de vergunning wordt gebruikt. Ter bevestiging van hun standpunt wijzen verweerders onder meer op de verslagen van de controlebezoeken van 16 juni 1997 en 1 oktober 1997.
De Afdeling stelt voorop dat verweerders slechts bevoegd zijn handhavend op te treden indien de voor de inrichting geldende regels niet worden nageleefd. Inzake de omvang van het terrein waar ingevolge voorschrift 3.6 niet met de twee heftrucks en de Dodge Beep (takelwagen) dient te worden gereden, acht de Afdeling het standpunt van verweerders juist. Gelet op de
stukken en het behandelde ter zitting is de Afdeling mede gezien het bovenstaande van oordeel dat verweerders zich terecht op het standpunt hebben gesteld dat in de inrichting, wat de aangevoerde bezwaren betreft, de vigerende vergunning niet wordt overtreden. Daarbij wijst de Afdeling er op dat ten aanzien van het voorterrein van de inrichting zelfs niet in geschil is dat dit ten tijde van het bestreden besluit niet in strijd met de vergunning werd gebruikt.
Verweerders waren derhalve niet bevoegd handhavend op te treden. De bezwaren kunnen niet slagen.
2.3. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr J.J.R. Bakker, Lid van de enkelvoudige kamer, in
tegenwoordigheid van mr drs M.C.C. van de Schepop, ambtenaar van Staat.
w.g. Bakker w.g. Van de Schepop
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 JAN. 2000
131-292.
Verzonden: 13 JAN. 2000
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
_____________________________________________________________________________