Milieu in het dorp Rhenoy
Deskundigenverslagen:
Rapport StAB
Raad
van State
Mw P. VAN STEIJN-VAN IPEREN
Dorpsstraat 8
4152 EP RHENOY
Datum Inlichtingen toestel Uw kenmerk
16 juli 2003 070-4264735
Onderwerp Ons nummer
Rhenoy - Dorpsstraat 10 200205407/1/M1
Autodemontagebedrijf
Hierbij doe ik u afschrift toekomen van het uitgebrachte deskundige(n)verslag (met bijlagen).
Namens de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak verzoek ik u uw zienswijze
met betrekking tot dit verslag schriftelijk naar voren te brengen. Dit dient te gebeuren uiterlijk
op: 1 4 augustus 2003.
De Secretaris van de Raad van State,
voor deze,
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Stichting Advisering Bestuursrechtspraak 
voor Milieu en Ruimtelijke Ordening
De Voorzitter van de Afdeling
bestuursrechtspraak
van de Raad van State
Kneuterdijk 22
2514 EN 's-GRAVENHAGE
Uw kenmerk Uw brief Kenmerk Datum
200205407/1/M2 8 mei 2003 StAB/36092/H 14 juli 2003
Onderwerp
Beroep tegen de afwijzing door Gedeputeerde Staten van Gelderland van het verzoek om
intrekking van de milieuvergunning voor een autodemontagebedrijf aan Rhenoy BV te Rhenoy.
In antwoord op uw bovengenoemde brief ontvangt u hierbij het verslag.
De directeur
drs. R.N. van Alem
--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
VERSLAG EX ARTIKEL 8:47 ALGEMENE WET BESTUURSRECHT
Opdrachtgever - Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak
Kemnerk opdrachtgever - 200205407/1
Datum opdracht - 8 mei 2003
Kemnerk STAB - StAB/36092/H
Opsteller - J.W. Plu
Datum - 14 juli 2003
1. DE BESLUITEN
Het besluit van 20 augustus 2002 - nr. MW2002.6237 - van Gedeputeerde Staten van Gelderland, waarbij de in de brief van 1 mei 2002 vervatte bezwaren tegen het besluit van 19 maart 2002 (afwijzing van het verzoek van 11 februari 2002 tot intrekking van de Afvalstoffenwetvergunning van 26 januari 1993) zijn heroverwogen en ongegrond zijn verklaard (dossierstuk II).
2. APPELLANTE
Mevrouw P. van Steijn- van lperen
3. WERKWIJZE
De inrichting is op 16 Juni 2003 bezocht. Bij die gelegenheid heb ik gesproken met de heer A. van Kessel, die in verband met de vakantie van zijn broer en tevens exploitant van de inrichting, de heer N. van Kessel, tijdelijk zijn zaken behartigde. De heer N. van Kessel treedt op namens vergunninghouder, de heer H.J. Story.
Daamaast heb ik een telefoongesprek gevoerd met de heer N. van Kessel. Ook is gesproken met mevrouw van Steijn- van lperen en met een van haar zoons. Met de heren B.A.M. Kolle (afdeling afvalverwerking) en P. Lentjes (geluidsspecialist) van de Provincie heb ik telefonisch over deze kwestle gesproken. Tenslotte heb ik een telefoongesprek gevoerd met de heer
H. van Os van de gemeente Geldermalsen over een mogelijke bedrijfsverplaatsing.
4. DE INRICHTING, DE SITUERING EN DE VOORGESCHIEDENIS
Voor wat betreft een beschrijvlng van de inrichting, de situering en de voorgeschiedenis verwijs ik kortheidshalve naar het uitgebreide verslag van 16 december 1994, dat over deze kwestie aan de Afdeling is uitgebracht, dit ook naar aanlelding van bezwaren tegen het oprichtingsbesluit van 26 januari 1993, waarbij voor een periode van tien jaar vergunning is verleend. Ook toen hadden de bezwaren van appellante voornoemd betrekking, op geluids- en stankhinder. Een kopie van dit verslag heb ik aan het dossier toegevoegd. (STAB 1).
5. BEROEPSGRONDEN
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift van Gedeputeerde Staten van d.d. 20 augustus 2002, waarbij het bezwaar zich richt tegen de weigering van het bevoegd gezag de oprichtingsvergunning van 26 januari 1993 in te trekken. Appellanten stellen al jarenlang geluids-, trilling- en stankhinder te ondervinden.
Naar aanleiding van een schorsingszitting in deze kwestie op 25 april 2003 verzoekt de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak een deskundigenbericht uit te brengen, waarbij aan de volgende aspecten aandacht dient te worden besteed.
1. Welke activiteiten/onderdelen van de inrichting vormen (structurele) risico's voor overschrijding van het toegestane
geluidsniveau, waar appellante op doelt in haar bezwaar- en beroepschrift?
2. Wat zijn mogelijke maatregelen om overschrijding als bedoeld onder 1 te voorkomen?
6. BIJZONDERHEDEN
Bij beschikking van 26 januari 1993, nr. MW91.6465-6021081, hebben Gedeputeerde Staten van Gelderland (dossierstuk II-C) een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet afgegeven voor het oprichten of in werking hebben van een inrichting bestemd tot het bewaren en bewerken van autowrakken, annex autohandel ten behoeve van het bedrijf Rhenoy B.V te Rhenoy (gemeente Geldermalsen). Deze oprichtingsvergunning van 26 januari 1993 is afgegeven voor een periode van 10 j aar. Ten behoeve van deze vergunning is bij de aanvraag destijds een geluidsrapport gevoegd van Akoestisch Adviesburo Van Der Boom d.d. 4 november 1991 (Bijlage StAB II). De periode van 10 jaar is inmiddels verstreken. Bijgevolg heeft de provincie in deze fase een gedoogbeschikking afgegeven. De heer Kolle van de provincie deelde mij mede, dat binnenkort een nieuwe vergunning wordt afgegeven. In dat kader en gezien de klachtmeldingen met betrekking tot geluidsoverlast in de dagperiode is door de dienst Milieu en Water op 17 april 2002 een geluidsmeting bij het bedrijf verricht. De resultaten hiervan zijn vervat in het geluidsrapport (dossierstuk II-a). Op dit rapport kom ik straks terug. Tevens is in het kader van de nieuwe vergunningaanvraag op 25 november 2002 door Akoestisch Adviesburo Van Der Boom een geluidsrapport opgesteld (Bijlage STAB Ill). Ook op dit rapport ga ik (zijdelings) in.
De gebroeders Kessel hebben in Rhenoy drie verschillende bedrijven, waaronder de inrichting in kwestie. Zij deelden mij mede, dat zij voornemens zijn deze bedrijven te verplaatsen. Twee bedrijven worden verplaatst naar Waardenburg en het thans te bespreken autodemontagebedrijf naar Geldermalsen. In dat kader zijn met de gemeente Geldermalsen al besprekingen gevoerd over een mogelijke vestigingsplaats op een industrieterrein. Desgevraagd werd dit bevestigd door de heer van Os van de gemeente Geldermalsen. Bij die gelegenheid deelde hij mij verder mede dat de procedures, indien deze soepel verlopen, binnen twee jaar kunnen zijn afgerond. Op dit moment zijn de betreffende plannen nog weinig concreet.
7. BEVINDINGEN
7.1 Geluidshinder
Alvorens in te gaan op de specifieke vragen herhaal ik hiema de in de vergunning van 26 januari 1993 opgelegde geluidsgrenswaarden.
7.1.2 De geluidsgrenswaarden
In de vergunning van 23 januari 1993 zijn onderstaande geluidsgrenswaarden opgenomen.
De strekking van voorschrift 3.19 is, dat doelmatige akoestische maatregelen en voorzieningen moeten zijn getroffen om de geluidsproductie van de diverse in de inrichting aanwezige geluidsbronnen en van de diverse werkzaamheden te beperken. Deze beperking moet zodanig zijn dat op de niet tot de inrichting behorende woningen de equivalents geluidsniveaus van 45, 40 en 40 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode niet worden overschreden.
De strekking van voorschrift 3.20 is, dat de piekwaarde veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en de daar verrichte werkzaamheden in de meterstand "Fast", voor de gevels van de woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen als genoemd in voorschrift 3.19 ten hoogste 65, 60 en 55 dB(A) gedurende respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode mogen bedragen.
Om te kunnen voldoen aan de in de vergunning opgelegde geluidsgrenswaarden nabij de gevel van de woning van appellante heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 11 mei 1995, nr. G05.93.0576 (StAB IV) onder meer bepaald dat het in de vergunning opgenomen voorschrift 3.6 als volgt dient te worden aangepast:
"Voor de omgeving hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden, zoals slijpen, schuren, uitdeuken, hameren e.d. dienen binnen de werkplaatsen te worden verricht, waarby ramen en deuren gesloten dienen te zijn. Deuren mogen slechts voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen zijn geopend. Deze werkzaamheden mogen echter buiten de werkplaats worden verricht, indien door middel van een akoestisch rapport, uitgevoerd door een daartoe geëigende onafhankelijke instantie, vooraf aan de directeur van de dienst Milieu en water van de provincie Gelderland wordt aangetoond dat de geluidsproductie daarbij beneden de in voorschrift 3.19 en 3.20 genoemde waarden blijft.
Indien buiten gewerkt mag worden is het verboden de hiervoor vermelde hinderlijke of geraasmakende werkzaamheden, alsmede de snijbrandwerkzaamheden, te verrichten binnen de op tekening nr. D 0485-12-001-36 met rood omlijnde zone.
Tevens dient er op het terrein tussen de langs de erfafscheiding gelegen open loods en de werkplaatslopslagruimte niet met twee heftrucks en de Dodge Deep (takelwagen) te worden gereden".
De in het aangepaste voorschrift bedoelde rood omlijnde zone is op de bij de provincie opgevraagde tekening D085-12-001-36 met een dikke zwarte omlijning aangegeven (Bijlage StAB V).
7.1.3 Naleefbaarheid van de grenswaarden
Appellante stelt in haar beroepschrift onder meer geluidsoverlast te hebben van het pletten van autowrakken, het gooien met autowrakonderdelen in containers, het slaan of hakken met een moker op autowrakken, het doorzagen van autowrakken, het verslepen van containers, autowrakken en andere onderdelen met meerdere heftrucks e.d..
In het besluit van Gedeputeerde Staten van 20 augustus 2002 (dossierstuk II) staat onder de paragraaf Advies commissie, dat de commissie (lees: Commissie bezwaar- en beroepschriften) van mening is, dat niet is gebleken dat bij de werkzaamheden, die met de heftrucks geschieden, binnen de door de Raad van State verboden zone wordt geopereerd en/of de voor het bedrijf maximaal toegestane geluidsgrenzen worden overschreden. Diverse metingen, recentelijk nog op 17 April 2002, hebben volgens de Commissie geen overschrijdingen aan het licht gebracht. Op deze metingen kom ik later terug.
Ik merk het volgende op.
In het kader van de specifieke vraagstelling dient te worden nagegaan door welke activiteiten binnen de inrichting de grenswaarden voor het equivalents geluidsniveau en voor het piekgeluidsniveau worden overschreden en als daarvan sprake is, welke maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te kunnen voldoen.
Op grond van voorschrift 3.21 dient de inrichting gesloten te zijn tussen 19.00 en 07.00 uur alsmede op zondagen en algemeen erkende feestdagen. Dit betekent dat alleen onderzocht dient te worden of aan de grenswaarden gedurende de dagperiode kan worden voldaan.
Zoals gezegd heeft het Adviesburo Van Der Boom op 4 november 1991 in opdracht van Rhenoy B.V. een geluidsonderzoek verricht (StAB II). Er is onderzocht welke geluidsemissie ontstaat door werkzaamheden e.d. op het terrein van de inrichting en welke geluidsbelasting daarvan het gevolg is op de gevel van de woning Dorpsstraat nr. 8. Mede op grond van de uitkomsten van dit onderzoek hebben Gedeputeerde Staten de eerdergenoemde vergunning ingevolge de Afvalstoffenwet van 26 januari 1993 afgegeven.
Ik heb echter geconstateerd, dat dit rapport niet in alle gevallen uitsluitsel geeft over de door appellante aangevoerde bronnen, die volgens haar aanleiding geven tot geluidshinder. In het dezerzijds opgesteld advies van 4 november 1991 (StAB I) is al aangegeven dat ten behoeve van het akoestisch onderzoek, metingen zijn uitgevoerd aan de volgende geluidsbronnen:
- een wielmoersleutel;
- het hakken (hamer en beitel) van plaatwerk;
- het snijden van plaatwerk met een brander;
- het rijden met transportmiddelen: 2 heftrucks en Dodge Beep(takelwagen).
Bij die gelegeheid is verder vermeld dat deze inventarisatie van geluidsbronnen volledig leek. Een aantal thans door appellante genoemde bronnen, zoals het pletten van autowrakken en het zagen van autowrakken is echter niet in het geluidsrapport meegenomen, omdat deze immers bij voorschrift niet zijn toegestaan. De door appellante tijdens mijn bezoek genoemde geluidsbelasting als gevolg van het parkeren en wegrijden van (vracht)auto's op het voorterrein van de inrichting had mijns inziens wel in het geluidsrapport opgenomen moeten. Gezien de vraagstelling van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om alle door appellante genoemde activiteiten te beoordelen, dus inclusief het pletten en zagen, heb ik om die reden de relevante geluidsrapporten opnieuw beoordeeld en voorts ter indicatie met een eenvoudige geluidsmeter, voor zover mogelijk, ter plaatse een aantal bronnen gemeten om vast te stellen of vanwege deze bronnen de geluidsgrenswaarden mogelijk worden overschreden en of in dat geval de eventuele overschrijding van grenswaarden door redelijkerwijs te verlangen maatregelen teniet kan worden gedaan .
Het equivalents geluidsniveau
Zoals gezegd is appellante al tegen de oprichtingvergunning van 26 januari 1993 in beroep gekomen. Naar aanleiding hiervan heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 11 mei 1995, nr. G05.93.0576 onder meer gesteld, dat uit het geluidsrapport van Akoestisch Adviesburo Van Der Boom is gebleken, dat aan de grenswaarde voor het equivalents geluidsniveau voor de dagperiode kon worden voldaan, indien aan de transportmiddelen (lees vorkheftrucks), die blijkens het rapport maatgevend zijn, doelmatige akoestische voorzieningen worden getroffen. De etmaalwaarde bedraagt volgens het geluidsrapport namelijk 46 dB(A) en wordt daarmee met 1 dB overschreden. Ter zitting is toen door verweerders en vergunninghouder gesteld dat deze geluidsbeperkende maatregelen zijn aangebracht. In het dezerzijds opgesteld verslag van 16 december 1994 (StAB I) is aangegeven dat de overschrijding volgens vergunninghouder teniet is gedaan door verbeterde rookgasdempers, motoromkasting en een gaspedaalbegrenzer. Indien echter alle door appellante bedoelde activiteiten meegenomen zouden worden en ook de verkeersbewegingen van de (vracht)auto's op de parkeerplaats op het voorterrein, dan zou de toch al kritische grenswaarde voor het equivalents geluidsniveau van 45 dB(A) gedurende de dagperiode mogelijk alsnog overschreden kunnen worden. Deze activiteiten maken echter geen onderdeel uit van de oorspronkelijke aanvraag en zijn derhalve bij de beoordeling van deze aanvraag ten behoeve van de vergunningverlening niet beschouwd. Zij maken derhalve geen onderdeel uit van de vergunde bedrijfsvoering.
Het piekgeluidsniveau
Inleiding
Tijdens mijn bezoek aan de inrichting heb ik de heer A. van Kessel gevraagd, voor zover mogelijk, die activiteiten uit te voeren of te laten uitvoeren, die volgens appellante steeds weer tot overlast leiden. Tijdens die activiteiten heb ik met behulp van een geluidsmeter op een afstand van 10 meter van de bron het momentane piekgeluidsniveau in de meterstand "fast" gemeten en deze met behulp van een rekenprogramma geëxtrapoleerd naar de gevel van de woning van appellanten. Ik kom hier later op terug. In dit kader is het minstens zo belangrijk vast te stellen op welke gedeelte van het terrein van de inricihting de diverse activiteiten plaatsvinden ten opzichte van de woning van appellante en wat de afstand is van de geluidsbron tot de gevel van die woning. Hoewel er dezerzijds slechts sprake is van een indicatieve meting, kan hier wel de conclusie uit worden getrokken of het aannemelijk is dat de grenswaarden voor het piekgeluidsniveau op enig punt al dan niet worden overschreden. Hierbij is zeker van belang dat het aangepaste voorschrift 3.6 wordt nageleefd.
Het gebruik van twee vorkheftrucks
De transportmiddelen, in casu de vorkheftrucks, veroorzaken ten opzichte van de overige activiteiten de grootste geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellante. De vorkheftrucks kunnen op het terrein achter de werkplaats/opslagplaats en rijdend binnen de rode zone de gevel van de woning van appellante tot op een afstand van circa 22 meter benaderen. De van appellante ontvangen foto 1 (StAB VI) toont dit aan. Zoals gezegd mag op grond van voorschrift 3.6 een aantal geraasmakende of hinderlijke activiteiten niet binnen de rode zone worden verricht. Op grond van het aangepaste voorschrift 3.6 is het evenmin toegestaan om op een nader aangegeven gedeelte van de rode zone met onder meer heftrucks te komen, omdat dit tot geluidsoverlast leidt. Dit gedeelte heb ik ter oriëntatie op bijgaande tekening gearceerd aangegeven (zie bijlage StAB V). Indien het verbod voor het gearceerde gedeelte wordt gerespecteerd, dan zal de kortste afstand tussen de heftruck en de woning van appellante niet 22 meter maar ten minste 40 meter bedragen. Deze afstand heb ik bepaald aan de hand van de tekening die als stuk StAB IX bij het dossier is gevoegd. Op deze tekening staan de bronpunten van het transport op twee rijroutes aangegeven. Tijdens mijn bezoek bleek dat een aantal voorbewerkte sloopwagens met behulp van heftrucks binnen dat gedeelte van de rode zone zijn gestald, dat voor transportmiddelen is toegestaan, in afwachting van een verdere bewerking. Ik heb daarbij vastgesteld, dat de kortste afstand tussen de gestalde sloopauto's en de woning eveneens circa 40 meter bedraagt.
Welke gevolgen een en ander heeft voor de geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellante bespreek ik hiema.
In het geluidsrapport van het Akoestisch Adviesburo Van Der Boom (StAB II) wordt onderscheid gemaakt tussen een Manitou vorkheftruck en een tweede of andere heftruck. Laatstgenoemde heftruck is feitelijk moellijk te handhaven, omdat deze niet is benoemd en feitelijke specificaties ontbreken. Blijkens paragraaf 3.1 van het provinciale controlerapport d.d. 17 april 2002 (dossierstuk II-a) zijn geluidsbronmetingen aan de Manitou BH 25 en de Hyster 300 heftruck uitgevoerd. De "andere" heftruck, genoemd in het akoestisch rapport van Adviesburo Van Der Boom uit 1991 is blijkens het controlerapport in de loop van de tijd vervangen door een Hyster 300 heftruck. Tijdens mijn bezoek bleek dat nog steeds een Manitou heftruck met dieselaandrijving wordt gebruikt en dat daamaast sprake is van de genoemde heftruck Hyster 300. Op pagina 5 van het controlerapport worden de omstandigheden aangegeven, waaronder is gemeten. De metingen vonden plaats tijdens het aanrijden van de heftrucks van de demontagehal naar het opslagterrein van de autowrakken, tijdens het plaatsen van de lepels onder een autowrak, het heffen van een autowrak en het verplaatsen van een autowrak naar de werkplaats waar de wrakken worden gedemonteerd. De handelingen werden uitgevoerd bij een relatief hoog toerental. Voor de Manitou BH 25 en de Hyster 300 is een bronvermogenniveau voor piekgeluiden gehanteerd van respectievelijk 102 en 97.6 dB(A) bij een maximum toerental.
Op pagina 8 van het controlerapport wordt geconcludeerd, dat de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau van 65 dB(A) voor de dagperiode niet wordt overschreden. Ik plaats hierbij echter twee kanttekeningen, namelijk ten aanzien van de gekozen rijroute van de heftrucks en de gehanteerde geluidsniveaus.
Ten aanzien van de rijroute het volgende. De laatste pagina van het controlerapport betreft een tekening, waarop de route van de heftruck, het meetpunt en het beoordelingspunt zijn aangegeven. De gekozen route op circa 54 meter afstand van de woning acht ik echter niet representatief omdat, zoals hiervoor is aangegeven, de heftrucks ook binnen een gedeelte van de rode zone mogen rijden en zodoende de woning op een afstand van circa 40 meter kunnen benaderen. De heer P. Lentjes van de provincie, die de metingen heeft uitgevoerd, deelde mij mede, dat hij op aanwijzing- van de exploitant van de inrichting tot de gekozen route is gekomen. Ik merk hierbij op, dat deze route wordt gebruikt om wrakken naar de achterzijde van het terrein te vervoeren. In het kader van de vaststelling van de geluidsbelasting op de gevel van de woning van appellante ware het juister geweest om uit te gaan van de kortste afstand van de heftruck tot de woning, namelijk circa 40 Meter.
De tweede kanttekening betreft de geluidsniveaus van de heftrucks. Zoals gezegd blijkt uit het provinciale controlerapport dat voor de Manitou BH 25 en de Hyster 300 een bronvermogenniveau is gehanteerd van respectievelijk 102 en 97,6 dB(A). Deze waarden komen weliswaar overeen met de algemeen geldende bronniveaus voor deze voertuigen echter zonder bijdrage door het klepperen van de lepels op de heftrucks. Deze bijdrage is wel in het controlerapport verdisconteerd. Uit een dezerzijds verrichte indicatieve meting van het piekgeluidsniveau op 10 meter afstand van de heftruck is gebleken, dat de lepels, die worden gebruikt om de sloopauto's te heffen, een geluidsniveau van circa 86 dB(A) kunnen veroorzaken. Dit niveau wordt veroorzaakt door het klepperen van de lepels bij het heffen van de autowrakken en tijdens het rijden. Indien de lepels tijdens het plaatsen van de sloopauto's over de straat schuren, kan het geluidsniveau zelfs nog toenemen. Met inachtneming van het gestelde in module B, methode 1 onder paragraaf 3 van de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999 heb ik het immissierelevant bronvermogenniveau van de heftruck, inclusief de lepels bepaald. Dit bronvermogenniveau bedraagt 115 dB(A). Hieruit volgt dat het gestandaardiseerde immisieniveau op de gevel van de woning van appellant op circa 40 meter afstand ruim 73 dB( A ) bedraagt. Hiermee wordt de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau van 65 dB(A) gedurende de dagperiode aanzienlijk overschreden.
Samenvattend stel ik vast dat het gebruik van de vorkheftrucks, inclusief de klepperende lepels binnen de gehele rode zone een structureel risico vormt ten aanzien van een overschrijding van de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau gedurende
de dagperiode
Te treffen maatregelen om alsnog aan de grenswaarden te kunnen voldoen
Om alsnog aan de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau gedurende de dagperiode te kunnen voldoen, ben ik van oordeel dat de gehele rode zone verboden zou moeten worden voor alle activiteiten, dus inclusief het gebruik van transportmiddelen. In het kader van de handhaving zou de gehele rode zone fysiek voor transportmiddelen afgesloten dienen te worden. Een maatregel zou kunnen zijn om een scherm rondom de rode zone te plaatsen.
Deze maatregel zou echter alle activiteiten, dus ook de niet geluidsproducerende activiteiten, binnen de zone omnogelijk maken en kan daardoor belemmerend werken. Een mogelijk efficiëntere maatregel zou kunnen zijn om hoge drempels met een smalle opening aan te brengen, zodat de toegang tot die zone nog wel te voet en met handmaterieel (bijvoorbeeld kruiwagen) gegarandeerd blijft. Verder zouden de zogenoemde "lepels" voor het heffen en verplaatsen van sloopauto's aan de vork gelast kunnen worden en zowel aan de binnen- als aan de buitenzijde voorzien kannen worden van een rubber coating, waardoor het geluidsniveau afneemt. Door het schuren slijt de rubberlaag bijzonder snel, zodat een tijdige vervanging essentieel is.
Indien deze maatregelen zijn gerealiseerd, kan mogelijk het niveau worden bereikt, zoals in het controlerapport van 17 april 2002 wordt beoogd, namelijk dat aan de grenswaarde van 65 dB(A) gedurende de dagperiode wordt voldaan. Voorwaarde daarbij is wel dat de in het rapport opgenomen rijroute wordt gerespecteerd.
Een andere optie is om over te gaan tot plaatsing van een adequaat geluidsscherrn op de erfafscheiding, waar thans slechts sprake is van een gedeeltelijke houten schutting zonder geluidwerende eigenschappen en voor het overige een afscheiding van prikkeldraad. Bijgaande van appellante ontvangen foto's nrs. 1 en 2 (bijlage StAB VI) tonen dit aan. Bij de voorgenomen plaatsing van een scherrn dient wel te worden berekend of de aanzienlijke overschrijding in dat geval kan worden gereduceerd om aan de gestelde grenswaarde van 65 dB(A) te kunnen voldoen. Bovendien zal dan moeten worden bezien of de benodigde schermhoogte ter plaatse kan worden gerealiseerd. Het is dus op dit moment onduidelijk of een dergelijke voorziening redelijkerwijs kan worden verlangd.
Parkeerplaats op het voorterrein
Tijdens mijn bezoek gaf appellante aan ook geluidsoverlast te hebben van de auto's die op het voorterrein aan de straatzijde parkeren. Dit bezwaar is volgens haar zoon al meerdere keren aangevoerd.
Ik merk het volgende op. Indien het hiervoor bedoelde geluidsscherm op de erfafscheiding wordt geplaatst, zou deze plaatsing te beginnen vanaf de straatzijde gerealiseerd moeten worden. Aan de straatzijde ligt namelijk een parkeerterrein. De kortste afstand tussen een geparkeerde (vracht)auto en de gevel van de woning van appellante bedraagt blijkens de tekening (bijlage StAB V) circa 12 meter. Op het parkeerterrein kunnen pieken ontstaan, veroorzaakt door het parkeren van (vracht)auto's, het starten van (vracht)auto's, het aflaten van remlucht en het slaan met portieren. Het dichtslaan van een portier kan een piek veroorzaken variërend van 103 tot 110 dB(A). Uitgaande van genoemde afstand van 12 meter tussen een geparkeerde auto en de gevel van de woning van appellante zal het immissieniveau op de gevel bij het maximale piekniveau van 110 dB(A) circa 79 dB(A) bedragen. De grenswaarde voor het piekgeluidsniveau van 65 dB(A) op de gevel van de woning van appellante zal dan met circa 14 dB(A) worden overschreden. Volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai kan een scherm de geluidsbelasting tot 20 dB reduceren, zodat in dat geval aan de grenswaarde kan worden voldaan. Ook in dit geval zal bezien moeten worden welke hoogte het scherm dient te hebben. Hoewel de te verwachten overschrijding van de grenswaarde waarschijnlijk door middel van een adequaat geluidsschenn teniet kan worden gedaan, is onduidelijk of deze voorziening redelijkerwijs verlangd kan worden. De aard en omvang van de voorziening kan namelijk eerst na gedegen onderzoek terzake worden vastgesteld.
Het pletten van autowrakken
Op grond van voorschrift 3.12 is het verboden binnen de inrichting wrakken te pletten, te knippen of op andere wijze mechanisch te verkleinen. Ten behoeve van het transport mag een wrak - met inachtneming van de overige voorschriften behorende bij deze vergunning worden verkleind door middel van het indrukken van het dak.
De bij de vergunning behorende tekening D0485-12-001-36 (Bijlage StAB V) toont aan, dat de bewerkte auto's op het noordelijke terrein van de inrichting op vrachtwagens worden geladen. Dit laden gebeurt op een afstand varidrend van 100 tot 150 meter van de woning van appellante. Aan de hand van een videofilm die appellante mij toonde, kon worden vastgesteld, dat de gestripte sloopwagens door middel van een grijper op een vrachtwagen worden geladen. Deze grijper laat men vervolgens op het wrak vallen om het dak in te drukken.
De vraag is nu hoe voorschrift 3.12 moet worden uitgelegd als het gaat om het indrukken van het dak. Dit kan op twee manieren gebeuren, namelijk het laten vallen van de grijper op het dak, zoals de getoonde video door appellante liet zien of het laten rusten van de grijper op het dak. Door het gewicht van de grijper op het dak te laten rusten, zal dit worden ingedrukt. Het laten vallen van de grijper kan worden uitgelegd als pletten, welke activiteit is verboden. Dit aspect dient dan ook in het kader van de handhaving te worden bezien. Het indrukken van het dak zonder de grijper te laten vallen zal, mede gezien de kortste afstand van 100 meter van de bron tot de woning van appellante, niet leiden tot overschrijding van de grenswaarden voor het pickgeluidsniveau. Het pletten heb ik niet kunnen meten. Indien het pletten volgens de genoemde rekenmethode een bronvermogenniveau voor het piekgeluid veroorzaakt van maximaal 114 dB(A), dan kan in dat geval op 100 meter afstand nog net voldaan worden aan een grenswaarde van 65 dB(A). Ik verwacht echter dat het bronvermogenniveau van het pletten vergelijkbaar is met dat van gooien van metaal in een container, dat circa 120 dB(A) bedraagt, waardoor de grenswaarde van 65 dB(A) met circa 5 dB(A) zal worden overschreden.
Het gooien van autowrakonderdelen in containers en het verslepen van die containers
Op een afstand van 10 meter van een stalen container heb ik een indicatieve meting uitgevoerd. Het gooien in de container van een stuk metaal leverde een piekgeluid op van 80 dB(A). Omdat de container ten tijde van die meting al gedeeltelijk was gevuld, kan de piekbijdrage hoger uitvallen, als een stuk metaal in een lege container wordt gegooid. Dit blijkt ook uit bijlage I van het geluidsrapport (StAB H), waar eveneens op 10 meter afstand ruim 90 dB(A) is gemeten. Ten tijde van mijn bezoek stonden de containers naast de ingang naar het zuidelijk gelegen terrein op ruime afstand van de woning van appellante.
Echter, zoals de van appellante verkregen foto's 1 op bijlage StAB VI en de foto's nrs. 3 en 4 op bijlage StAB VIII aantonen, kunnen de (oranje) containers in principe met behulp van een vorkheftruck overal op het terrein worden ingezet. Hier wordt namelijk niet in voorzien door middel van een voorschrift. Indien de container nabij de erfafscheiding zou worden geplaatst op circa 40 meter afstand van de woning van appellante, dan bedraagt het immissieniveau op de gevel afgerond 68 dB(A) en zal daarmee de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau gedurende de dagperiode met 3 dB(A) worden overschreden. Uitgaande van het gerneten niveau van 90 dB(A) in het geluidsrapport, zal het immissierelevante bronvermogenniveau ruim 119 dB(A) bedragen. Het immissieniveau op de gevel van de woning van appellante zal in dat geval op 40 meter afstand ruim 77 dB(A) bedragen, hetgeen een overschrijding van ruim 12 dB(A) tot gevolg heeft.
Te treffen maatregelen
In een aanvullend voorschrift zou kunnen worden bepaald, dat de container uitsluitend naast de ingang naar het zuidelijk gelegen achterterrein mag worden geplaatst. Dit voorkomt dan tevens het slepen van de containers over het terrein, waardoor de overschrijding van de grenswaarde door deze bron teniet gedaan kan worden. Een dergelijke maatregel lijkt mij - daar deze
in geringe mate in de bedrijfsvoering ingrijpt - weinig bezwaarlijk.
Verder zou kunnen worden bepaald dat de binnenwand van de stalen container wordt voorzien van een rubber laag om het geluidsniveau te reduceren. Zoals echter in het voorgaande reeds ten aanzien van de klepperende lepels van de heftrucks is opgemerkt, zal een dergelijke voorziening door het intensieve gebruik snel slijten. Een dergelijke voorziening is daartmee niet duurzaam; het rubber zal regelmatig moeten worden vernieuwd hetgeen op haar beurt weer financiële consequenties zal hebben. Eerst op basis van nader onderzoek ter zake zal kunnen worden aangegeven of - gelet op het voorgaande - een dergelijke voorziening in redelijkheid kan worden verlangd.
Ik merk voorts op dat in de samenvatting op pagina 1 van het geluidsrapport van het Akoestisch Adviesburo Van Der Boom van 25 november 2002, dat in het kader van de nieuwe aanvraag voor een vergunning is uitgebracht, eveneens wordt voorgesteld te kiezen voor een vaste locatie van de container en voorts om een rubber laag in de container aan te brengen (Bijlage StAB IV). De akoestisch adviseur acht een dergelijke voorziening kennelijk redelijk. Niettemin zijn de aard, omvang en effect van deze voorziening in het rapport niet uitgewerkt.
Het slaan of hakken met een moker op autowrakken
Zoals voorschrift 3.6 voorschrijft, dient hameren (lees: slaan of hakken) binnen de werkplaatsen te worden verricht, waarbij ranen en deuren gesloten dienen te zijn. Het hameren mag ook buiten de werkplaats worden verricht, indien aan de hand van een geluidsrapport wordt aangetoond, dat de geluidsproductie daarbij beneden de in voorschrift 3.19 en 3.20 genoemde waarden blijft. In het geluidsrapport (StAB II) is het immissierelevant bronvermogenniveau berekend als gevolg van het hakken. Dit bedraagt 100 dB(A). Op grond van het aangepaste voorschrift 3.6 mag binnen de rode zone niet worden gehamerd. Appellante heeft aangegeven, dat desondanks toch binnen de rode zone wordt gehamerd. Als hiervan wordt uitgegaan en een afstand van 22 meter in acht wordt genornen, dan stel ik met behulp van de dezerzijds gehanteerde rekenmethode vast, dat het inimissieniveau op de gevel van de woning van appellante afgerond 64 dB(A) bedraagt, zodat nog aan de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau van 65 dB(A) kan worden voldaan.
Het zagen van autowrakken
In voorschrift 3.12 van de vergunning is onder meer bepaald dat het verboden is binnen de inrichting wrakken te knippen of op andere wijze mechanisch te verkleinen. Omdat uit dit voorschrift blijkt, dat het ook is verboden wrakken op andere wijze mechanisch te verkleinen, betekent dit feitelijk dat ook het zagen van autowrakken binnen de inrichting niet is toegestaan. Desgevraagd werd mij door de heer A. van Kessel medegedeeld dat het toch voorkomt, dat onderdelen van wrakken worden gezaagd. Dit gebeurt volgens hem zowel in de werkplaats als op het achterste gedeelte van het terrein achter de werkplaats/opslagplaats. Op mijn verzoek heeft de heer Kessel op het buitenterrein met een soort kettingzaag in een portierstijl van een wrak gezaagd, hetgeen op 10 meter afstand een pickgeluidsniveau van 86 dB(A) opleverde. Indien het zagen op het achterste gedeelte van het achterterrein gebeurt, waar de wrakken liggen opgeslagen, op circa 120 meter afstand van de woning van appellante, kan aan de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau gedurende de dagperiode worden voldaan. De geluidsbelasting op de gevel bedraagt in dat geval circa 63 dB(A). Indien binnen een afstand van 105 meter van de woning van appellante wordt gezaagd, dan wordt de grenswaarde van 65 dB(A) overschreden. Omdat deze activiteit niet is toegestaan, dient ook dit aspect in het kader van de handhaving te worden bezien.
8. SAMENVATTING
Aan de grenswaarde voor het equivalents geluidsniveau gedurende de dagperiode kan worden voldaan.
Aan de grenswaarde voor het piekgeluidsniveau gedurende de dagperiode kan niet in alle gevallen worden voldaan. Vooral de heftrucks binnen de rode zone en de (vracht)auto's op het voorterrein zijn hier debet aan. Oplossingsgerichte maatregelen kunnen zijn:
- het verbieden om in de rode zone geraasmakende activiteiten te verrichten, inclusief het stallen van transportmiddelen;
- de plaatsing van een geluidsscherrn op de erfafscheiding tussen het perceel van vergunninghouder en dat van appellante;
- brongerichte maatregelen, zoals het lassen van de lepels aan de vork van de heftruck en het aanbrengen van een rubber
coating op de lepels van de heftruck en aan de binnenzijde van de container;
- het opnemen van voorschrifien, waarin in akoestische zin de meest gunstige locatie van de activiteiten wordt vastgelegd,
zoals de locatie van de container.
- een adequaat handhavingregiem.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
PEUTZ 
AKOESTIEK EN BOUWFYSICA
LAWAAIBEHEFRSING
MILIEUTECHNOTOGIE
BRANDVEILIGHEID
Peutz bv
Paletsingel 2
Postbus 696
2700 AR Zoetermeer
Tel. (079) 347 03 47
Fax. (079) 361 49 85
info@zoetermeer.peutz.nl
www.peutz.nl
Rapport
Betreft: Beoordeling van aanvraag en vergunning ingevolge de Wet milieubeheer van Rhenoy Autodemontage B.V.
Dorpsstraaat 2 en 10 te Rhenoy met betrekking tot het milieuaspect geluid
Rapportnummer: F 16795-1
Datum: 16 februari 2004
Ref.: RJ/CW/F 16795-1 -RA
1. Inleiding
In opdracht van de heer R. van Steijn, namens mevrouw P. van Steijn - Van lperen Dorpsstraat 8 te Rhenoy,
is de aanvraag en de verleende vergunning ingevolge de Wet milieubeheer beoordeeld met betrekking tot het
milieuaspect geluid van Rhenoy Autodemontage B.V. Dorpsstraaat 2 en 10 te Rhenoy. Hierbij zijn de
volgende stukken bestudeerd:
- Verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak d.d. 14 juli 2003. Dit verslag beschrijft de zienswijze
van de Adviseur inzake de plaatselijke situatie waar het industriegeluid betreft. Deze zienswijze speelde een
rol in het kader van de beroepsprocedure gericht op de vernietiging van de thans vervallen vergunning krachtens
de Afvalstoffenwet. Het verslag is nog van belang daar deze een goed beeld geeft van de feitelijk, door de
Adviseur, medio 2003 aangetroffen bedrijfssituatie.
- Rapport van Adviesburo Van der Boom, d.d. 25 november 2002: Geluidbelasting omgeving autosloperij
Rhenoy B.V. te Rhenoy.
- Aanvraag voor vergunning krachtens de Wet milieubeheer van Rhenoy Autodemontage B.V. d.d. 2 juli 2002.
- Vergunning krachtens de Wet milieubeheer van Rhenoy Autodemontage B.V. d.d. 24 december 2003 (GS
van Gelderland als bevoegd gezag).
2. Aanvraag
Volgens de aanvraag wordt vergunning gevraagd voor het bewaren, bewerken en verwerken van autowrakken met
een autohandel en autoreparatie als nevenactiviteiten (uitsluitend dagbedrijf). Een situatieoverzicht is te vinden in
het akoestisch rapport van 25 november 2002. Een nieuwe demontage- en opslaghal vormt onderdeel van de
aanvraag (nog niet gerealiseerd). Uit het akoestisch rapport is af te leiden dat op het buitenterrein geen
bedrijfsmatige activiteiten zijn voorzien, anders dan: - het rijden en laden/lossen van een heftruck op het
buitenterrein gedurende circa 1 uur;
- het rijden van 1 vrachtwagen (1 minuut/dag) en 10 personenauto's (20 seconden/dag/personenauto);
- het gebruik van een garagekrik (5 minuten/dag), het laden/lossen van een container (2 minuten/dag);
- het storten van metaal (10 seconden/dag).
Er wordt in het rapport geen emissie beschreven vanuit de diverse bedrijfsruimten. Aldus dient er op basis van de
aanvraag vanuit te worden gegaan dat een dergelijke geluidemissie niet optreedt. Hierop wordt elders teruggekomen.
3. Feitelijke situatie
3.1. Ambtsbericht
Voor de feitelijke situatie (status quo 2003 - 2004) kan ten eerste verwezen worden naar de bevindingen van de
Adviseur in het verslag d.d. 14 juli 2003. De in de aanvraag (zie hoofdstuk 2) beschreven activiteiten dienen,
op basis van hetgeen de Adviseur ter plaatse heeft geconstateerd, tenminste uitgebreid te worden met: - het
pletten van autowrakken;
Noot: In de vergunning wordt door de provincie Gelderland bij haar overwegingen aangegeven dat het bedrijf in een ongedateerde
brief heeft aangegeven het pletten van autowrakken niet (meer) uit te voeren. Het voorgaande geldt als ongeloofwaardig daar
daarentegen de aanvraag aangeeft dat per vrachtwagen gemiddeld 6 wrakken worden aangevoerd en 24 worden afgevoerd.
Het pletten van autowrakken geldt als een normaal en gangbaar onderdeel van de verwerking van autowrakken, hetgeen bovendien
expliciet onder 11.6 van de aanvraag wordt genoemd als activiteit waarvoor vergunning wordt aangevraagd.
- het gooien van autowrakonderdelen in container en het verslepen van die containers-,
- het slaan of hakken met een moker op autowrakken-,
- het zagen van autowrakken.
Het ontbreken van de beschrijving van deze activiteiten in het akoestisch rapport (onderdeel aanvraag) dient
redelijkerwijze als een tekortkoming te worden uitgelegd. De activiteiten/bewerkingen gelden als cruciaal voor
een autosloperij.
3.2. Foto's op internetsite Rhenoy.com
De heer Steijn heeft fotomateriaal verzameld betreffende de door hem gesignaleerde bedrijfsactiviteiten en
op de internetsite Rhenoy.com geplaatst. Naast de aangevraagde activiteiten (hoofdstuk 2) en de door de
Adviseur geconstateerde activiteiten kan op basis van dit fotomateriaal nog het doorbranden van staal worden
aangevoerd als geluidproducerende buitenactiviteit.
3.3. Overige niet-beschreven bedrijfsactiviteiten
Volgens de opgave van de heer Steijn wordt in sommige gevallen bij het laden en lossen van autowrakken
de autokraan van de vrachtwagen ingezet. De inzet van een autokraan is gebruikelijk bij het laden en lossen
van autowrakken. De activiteit is niet in de aanvraag, inclusief akoestisch rapport beschreven.
Naast de opslag en demontage van autowrakken houdt het bedrijf zich bezig met de reparatie van auto's en de
handel in auto's en onderdelen van auto's. Het akoestisch rapport beschouwt de bijbehorende geluidbronnen niet.
Genoemd kunnen worden:
- garagegeluiden (bij geopende/gesloten deuren);
- geluidafstraling gevels (gevels op 1 0 m van dichtstbijgelegen woning);
- gevelventilatieroosters;
- dakuitlaten (ruimteventilatie, verbrandingsgassen, verfspuiterij (?));
- verkeersbewegingen behorend bij handel en reparatie.
4. Beoordeling aanvraag met bijbehorend akoestisch rapport
Geconstateerd moet worden dat de aanvraag beduidend te kort schiet bij de beschrijving van de geluidproducerende
activiteiten. Het merendeel van de inherente activiteiten zijn niet beschouwd. Gegeven de projectie van een nieuw
bedrijfsgebouw mag verwacht worden dat mogelijk bepaalde geluidbronnen minder belangrijk zullen worden onder de
voorwaarde dat deze dan in een geheel gesloten gebouw worden uitgevoerd. Welke dit zijn en wat het effect van het
naar binnen verplaatsen van activiteiten is, is niet uit het akoestisch rapport af te leiden. Daarnaast wordt onterecht
geen geluidemissie toegekend aan de reparatie van auto's en auto-onderdelen.
Op basis van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat het akoestisch rapport niet bruikbaar is bij de
beoordeling van het geluid in de omgeving ten gevolge van de aangevraagde activiteiten. Volstaan wordt thans met
de constatering dat bijvoorbeeld een geluidbelasting van 30 dB(A) op 10 m uit de terreingrens van een
autosloperij/annex reparatiebedrijf, zoals het akoestisch rapport aangeeft, niet geloofwaardig is. Verwezen kan
worden naar de vele onderzoeken betreffende het geluid in de omgeving van soortgelijke bedrijven elders. Niet
uitgesloten kan worden dat de feitelijke geluidbelasting eerder 50 dB(A) dan 30 dB(A) zal bedragen. Vanwege de
gesignaleerde essentiële tekortkomingen leent het akoestisch rapport zich niet voor een verdere beoordeling van
gepresenteerde onderzoeksresuitaten.
5. Beoordeling vergunning
5.1. Overwegingen
In de overwegingen zoals opgenomen in de Wm-vergunning geeft GS het volgende aan (samengevat):
a. Aan Rhenoy worden voorschriften verleend conform de aanvraag.
b. De aangevraagde en nog niet gerealiseerde loods dient aldus gerealiseerd te worden.
c. Rhenoy heeft d.d. 27 september 2002 schriftelijk aangegeven haar activiteiten te willen verplaatsen naar
Waardenburg (opheffing vestiging Rhenoy).
d. Zonder de realisatie van de loods kan Rhenoy reeds voldoen aan de grenswaarde van 40 dB(A) indien, conform
het verslag van de Adviseur, geen geluidproducerende activiteiten worden verricht in een, in het verslag
vastgelegd, rood omlijnd gebied.
e. Gezien het voorgaande acht GS een realisatie-termijn van de loods van één jaar voldoende.
Ad a: De grenswaarden uit de vergunning (zie onder D.1) zijn niet conform de aanvraag. Voor Dorpsstraat 10 is
de grenswaarde bijvoorbeeld 1 0 dB(A) ruimer dan vermeld in de aanvraag. Kanttekeningen bij de haalbaarheid zijn
reeds geplaatst. De haalbaarheid van de vergunde 40 dB(A) is zeker (nog) niet aangetoond.
Ad b, c en d:
Het is onterecht te stellen dat door opvolging van de adviezen van de Adviseur voldaan kan worden aan een equivalent
geluidniveau van 40 dB(A). De Adviseur richt zich in zijn beschouwingen louter op de piekniveaus. De Adviseur staat
wel in kort bestek stil bij een equivalent geluidniveau van 45 dB(A). De Adviseur beschouwt deze grenswaarde in de
gegeven situatie terecht als een kritische grenswaarde die mogelijk niet haalbaar zal zijn als alle destijds in beroep
door de appellant aangevoerde bewerkingen en activiteiten feitelijk ook plaatsvinden.
Ad e:
Uit de geluidvoorschriften onder D, en voor zover tevens is na te gaan ook niet uit de overige voorschriften, volgt dat
Rhenoy is gehouden aan een realisatietermijn van 1 jaar voor de nieuwe loods. Aldus geldt de noodzaak van de
aanwezigheid van de nieuwe loods vanaf het moment van vergunningafgifte. Immers, de nieuwe loods is volwaardig
onderdeel van de aanvraag en GS stelt conform de aanvraag besloten te hebben. Het voorgaande laat onverlet dat
het realistisch zou zijn geweest een realisatietermijn vast te leggen. Immers, voorafgaande aan vergunningverlening
krachtens de Wet milieubeheer is de afgifte van een bouwvergunning niet mogelijk. De geluidbelasting in de
overgangssituatie dient in dat geval aan grenswaarden te worden gebonden. Dit is thans niet geregeld.
5.2. Voorschriften
De grenswaarden uit D1 en D2 zouden een goede bescherming voor de woonomgeving kunnen inhouden.
Volstaan wordt met de verwijzing naar eerder geplaatste kanttekeningen inzake de haalbaarheid. Akoestisch
onderzoek met voldoende diepgang naar de te verwachten geluidniveaus in de aangevraagde situatie ontbreekt.
Voorschrift D4 schrijft voor dat alle hinderlijke of luidruchtige werkzaamheden binnen de werkplaatsen dienen
plaats te vinden. Hierbij worden een aantal voorbeelden genoemd, zoals slijpen, schuren, uitdenken, hameren, e.d.
Vastgesteld dient te worden dat deze activiteiten geen onderdeel hebben gevormd van de aanvraag. Daarnaast is,
gegeven een dergelijke voorschriftstelling, de betekenis van de definitie "hinderlijke of luidruchtige werkzaamheden"
cruciaal. Het voorschrift impliceert een hoge mate van rechtsonzekerheid zowel voor de vergunninghouder als
belanghebbende omwonenden.
Voorschrift D5 limiteert de uitvoering van luidruchtige werkzaamheden qua locatie op het bedrijfsterrein.
Het voorschrift D5 lijkt daarmee strijdig met voorschrift D4 dat juist een verbod inhoudt van luidruchtige
buitenactiviteiten in algemene zin.
Voorschrift D7 geldt een verbod tot de inzet van heftrucks en een takelwagen langs de terreingrens.
Opgemerkt dient te worden dat de takelwagen geen onderdeel vormt van de aanvraag.
Voorschrift D8 geeft de mogelijkheid aan voor het verrichten van buitenactiviteiten, onder de voorwaarde dat
aangetoond wordt dat aan de doelvoorschriften uit D.1 en D.2 wordt voldaan. GS lijkt hier te willen voorzien
in het grote probleem bij vergunningverlening in de huidige situatie, te weten: het is niet duidelijk wat feitelijk
binnen dan wel buiten zal plaatsvinden. Voor de hinderbeleving is het echter essentieel dat voorafgaande aan
vergunningverlening het duidelijk is wat de geluidbelasting zal zijn. Er is, gezien de beschikbare gegevens,
geen verwachting mogelijk dat aan de grenswaarden D.1 en D.2 kan worden voldaan indien sprake is van
diverse buitenactiviteiten. Het door GS gestelde dienaangaande in paragraaf 5.1 onder d is aantoonbaar onjuist.
6. Advies
Geconcludeerd dient te worden dat het niet duidelijk is wat de geluidbelasting in de omgeving zal zijn op het
moment dat de vergunning van kracht is. Zowel de aanvraag, met bijbehorend akoestisch rapport, als de
vergunning zelf geven het beeld van onzorgvuldigheid, onduidelijkheid en incompleetheid, waar het de
beschrijving van de geluidaspecten betreft.
Belangrijk gegeven is het voornemen van het bedrijf tot verhuizen. Het is inderdaad
onredelijk om vanaf het moment van vergunningafgifte, in een dergelijke situatie, de
realisatie van een nieuwe loods af te dwingen. Het voorgaande in acht nemende wordt het volgende
geadviseerd:
- Het bevorderen van vernietiging van de geluidvoorschriften uit de Wm-vergunning,
- Nieuwe besluitvorming op basis van aanvullende gegevens die tenminste de resultaten van akoestisch
onderzoek omvatten waar een geloofwaardige en volledige beschrijving van de voorkomende activiteiten
deel van dient te zijn.
- Het aanvullend akoestisch onderzoek dient de situatie te beschrijven voorafgaande aan de realisatie van de
nieuwe loods en na realisatie. Voor beide situaties dienen redelijkerwijze afdwingbare akoestische
voorzieningen (met hun effecten) te worden beschreven. Teneinde de situatie voorafgaande aan realisatie
niet al te zeer in ongunstige zin te laten afwijken van de situatie na realisatie kan voor tijdelijke afschermingen
langs de terreingrens worden gekozen bijvoorbeeld in de vorm van gestapelde (tweedehands) zeecontainers.
In soortgelijke situaties wordt een dergelijke voorziening als tijdelijke en financieel haalbare voorziening met
succes toegepast. Het verdient daarbij uiteraard aanbeveling de maximale duur van de tijdelijke situatie
als voorschrift op te nemen.
Noot: Als reactie op het voorgaande heeft de heer Steijn aangegeven dat een dergelijke voorziening in de jaren 1995 en 1996
gerealiseerd is geweest. Het middel bleek hier "erger dan de kwaal" daar de containers werden gebruikt voor opslag met hoge
inherente geluidniveaus bij het vullen van de containers met auto-onderdelen. Vanwege de geringe kosten en het wezenlijk effect
bij toepassing als afscherming, zonder opslagruimte als nevenfunctie, heeft een dergelijke voorziening toch de voorkeur.
Het uitsluiten van het gebruik als opslagruimte kan als voorschrift worden opgelegd. Hierbij kan worden afgedwongen dat de kopse
zijden van de afscherming de gesloten zijden (aldus niet de deurzijden) van containers dienen te betreffen. De containers dienen
onderling kiervrij aan te sluiten. Het definiëren van een gebied op het bedrijfsterrein waarbinnen geen luidruchtige activiteiten mogen
plaatsvinden zal in de praktijk op gespannen voet staan van naleving en de mogelijkheid van nalevingscontrole en heeft om die
reden niet de voorkeur.
Zoetermeer
Dit rapport bestaat uit:
6 pagina's
F 16795-1-RA
-------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------